De geschiedenis kan tot leven komen als je verband kunt leggen tussen personen, gebeurtenissen, landen en culturen. De gebeurtenissen in volgorde over de jaren (zie de chronologische tabellen door te klikken op de kaart op de Home pagina) zijn op zichzelf natuurlijk interessant, maar ze komen pas tot hun recht als ze verbonden worden door thema's. De thema's die StudyBuddy voor jou behandelt zijn:
Godsdienst
Dynastieën en staten
Oorlog
Cultuur
Sociaal
Economie
Politiek
Godsdienst
Na de Tweede Wereldoorlog leek het een tijdlang
verder bergafwaarts te gaan met de georganiseerde godsdienst in Europa. Vooral
het Christendom heeft daaronder geleden. Velen konden de verschrikkingen van de
oorlog niet rijmen met het bestaan van een God die de naastenliefde als hoogste
goed liet verkondigen. De industrialisatie sinds de 19de eeuw en de
socialistische strijd om een menswaardig bestaan hadden daarvoor al velen van
het geloof doen afvallen. Aan de vooravond van het Derde Millennium lijkt het
er echter op, dat de aanhang van zowel Christendom als de Islam in Europa weer
aan het groeien is. Daarmee sluiten de Europeanen van vandaag weer sterker aan
bij hun voorouders, voor wie het geloof in een vredig en harmonisch "leven
na de dood" veel steun betekende in de harde strijd om het bestaan.
Middeleeuwen (Europa)
De middeleeuwers waren meer blootgesteld aan de
grillen van de natuur dan de Westeuropeanen van vandaag. Vaak waren ze ook
godsdienstiger dan wij tegenwoordig zijn, al speelde het bijgeloof ook een
grote rol in hun levens. In het Westen en Zuiden van Europa waren de meeste
mensen rooms-katholiek, in Oost-Europa en op de Balkan meestal Orthodox. In
Spanje woonden veel moslims, evenals in Zuid-Italië (vooral op
Sicilië). Over heel Europa verspreid, en hier en daar geconcentreerd,
bijvoorbeeld in het Rijnland, woonden ook veel Joden. De meeste Europeanen
geloofden dus in het bestaan van een enkele God. Heidenen waren vooral te
vinden langs de Oostkust van de Oostzee en in Finland. De belangrijkste
religieuze organisatie was de rooms-katholieke kerk. Het hoofd van de kerk, de
bisschop van Rome, (de paus), beschikte over een grote macht. De paus werd
beschouwd als de erfgenaam van de vroegere Romeinse Keizers en maakte aanspraak
op volledige zeggenschap in alle belangrijke godsdienstige en politieke zaken.
1880-1919 (Nederland)
De Schoolstrijd was een politiek conflict dat na
1850 werd uitgevochten tussen kerkelijke partijen en partijen zonder
godsdienstige grondslag. Inzet van de Schoolstrijd was het bijzonder onderwijs
(onderwijs op godsdienstige basis) door gelijke subsidiëring gelijk te
stellen met het openbaar onderwijs. In 1878 werd in de Lager Onderwijs-wet van
het kabinet van J. Kappeyne van de Coppello alleen het neutraal onderwijs
gesubsidieerd. De Rooms-katholieken en de Anti-Revolutionare Partij, dat wil
zeggen hun leiders H.J.A.M. Schaepman en A. Kuyper, werden al snel bondgenoten.
In de Grondwet van 1887 leek de subsidiëring van bijzonder onderwijs
mogelijk geworden. Door het coalitie-kabinet Mackay dat in 1888 was
aangetreden, werd in 1889 een wetsvoorstel gedaan waardoor subsidiëring
ook voor bijzonder onderwijs gold.
1945-2000 (Duitsland)
Ook voor de godsdienst in Duitsland is de
Nazi-dictatuur met al zijn verschrikkingen van beslissende invloed geweest.
Hoewel veel Duitsers onder de Nazi's hebben gehandeld zonder zich teveel morele
vragen te stellen (overigens evenals miljoenen andere Europeanen dat hebben
gedaan) waren er enkelen die de moed hadden om zich anders te gedragen. Beroemd
is onder hen de Protestantse theoloog Dietrich Bonhoeffer, vermoord in een
concentratiekamp. Ook onder de Rooms-katholieken waren dergelijke dapperen te
vinden. De zogenaamde Vergangenheitsbewältigung (de afrekening met het
collectieve verleden) is op gang gebracht door de kerken. In de DDR hebben de
(protestantse) kerken een hoofdrol gespeeld bij de ontmanteling van de
SED-dictatuur en de "Wende", de ineenstorting van het communisme.
Evenals in de rest van West-Europa, waar in totaal zo'n 15 miljoen Moslims
wonen, groeit de Islam in Duitsland sterk. Er zijn inmiddels ongeveer vier
miljoen Moslims in Duitsland, overwegend Turken.
1943-2000 (Argentinië)
Voor meer dan 90% is de Argentijnse bevolking
rooms-katholiek. Er zijn echter enkele belangrijke religieuze minderheden. De
Joodse gemeenschap van ca. 400.000 personen is de grootste van Latijns-Amerika,
maar is aan het afnemen. Veel jonge Joden trouwen met rooms-katholieken en
verlaten zo in feite de Joodse gemeenschap. De meer dan 1 miljoen personen van
Arabische afkomst zijn in meerderheid rooms-katholiek. Er zijn kleine, maar
actieve protestantse groepen, waarvan de Presbyteriaanse kerk (van oorsprong
Schots calvinistisch) de oudste is en de aanzienlijkste. Daarnaast zijn er
enkele duizenden Luthersen. De invloed van de rooms-katholieke kerk op het
maatschappelijk leven was vroeger veel groter, al gingen hoofdzakelijk alleen
de vrouwen en de jongere kinderen op zondag naar de kerk. Tot voor kort was
Argentinië, samen met Ierland, het conservatiefste katholieke land:
echtscheiding en geboortebeperking waren er strikt verboden. Inmiddels waait
ook in Argentinië een wat modernere wind op dit gebied. ![]()
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
In Indonesië heerst vrijheid van godsdienst.
De bevolking is grotendeels islamitisch (87%), het aantal christenen, meest
protestant, bedraagt ca. 10%, boeddhisten vindt men onder de chinezen en
hindoes op Bali. Oorspronkelijk waren de bewoners van Indonesië
boeddhisten en hindoes. De respectievelijk boeddhistische (Borubudur) en
Hindoeïstische (Prambanan) tempels op Java getuigen daar nog van.
Kooplieden uit Voor-Indië brachten de islam in de 14e en 15e eeuw naar
Java en Sumatra. In Atjeh ontstond een orthodoxe vorm van islam die daar in de
16e eeuw werd gepredikt door Arabieren, in de vorstendommen op Java ontstond
een lossere, aangepaste vorm. De Adat (gewoonterecht) werd geprefereerd boven
de voorschriften in de Koran, de vorsten verklaarden zich tot geestelijk
leider. Er bestond een voorspelling dat de Javanen lange tijd onder vreemde
volkeren moesten leven, eerst witte, later gele - die heerschappij zou niet
lang duren - en daarna zou er vrede en welvaart heersen onder een rechtvaardig
vorst, de Ratoe Adil (Messias-gedachte).Vorstenzoon Diponegoro kreeg religieuze
visioenen en dacht dat die rol voor hem was weggelegd (Java Oorlog 1825-1830) .
Met de oprichting van de islamitische hervormingsbeweging Muhammadiyah (1912)
verkondigde Achmad Dahlan een modernere opvatting die moest leiden tot
sociaal-culturele verheffing van de inheemse bevolking. Uitvloeisel hiervan was
het bewust Indonesische Taman-Siswo onderwijs, gebaseerd op eigen cultuur en
eigen waarde in de eigen taal. De Europese christelijke zending was vooral
succesvol op de Molukken en in de Minahassa (Sulawesi). ![]()
Dynastieën en
staten
Veel landen in Europa werden geregeerd door
families, dynastieën, waarin de rechten van de heerser (koning, hertog,
markies, graaf, baron) van vader op kinderen (meestal naar de zoon) werden
doorgegeven. Wie een "verstandig" huwelijk sloot, kon dus ook
aanspraak maken op de erfrechten van zijn schoonvader. In de loop van de tijd
wisten bepaalde families zo een grote persoonlijke macht op te bouwen,
bijvoorbeelde de Staufen en de Habsburgers in Duitsland en de Valois, de Anjous
en de Bourgondiërs in Frankrijk. De machtigste dynastieën waren de
vorstenhuizen van de grote Europese koninkrijken, maar talrijke hertogelijke en
grafelijke families (denk aan de oorspronkelijk Duitse Nassaus) hadden ook
opmerkelijk succes bij hun huwelijkspolitiek. De macht van de heersersfamilies
en de adel werd steeds meer aan banden gelegd door de steden, die economisch
steeds belangrijker werden. Naarmate het economisch belang van de steden
groeide, werd de vorst afhankelijker van de belastingen die hij in de steden
kon heffen. In ruil voor medewerking aan de inning van belastingen eisten de
steden invloed op het bestuur van het land. De politieke macht van de
dynastieën werd tenslotte gebroken door de Nederlandse opstand van 1568 en
de Franse Revolutie van 1789.
1880-1919 (Nederland)
Na de dood van haar drie halfbroers en van haar
vader, de norse en ontoegankelijke Koning Willem III in 1890, kwam de 10-jarige
Prinses Wilhelmina in aanmerking om de troon te bestijgen. Prinses Wilhelmina's
verantwoordelijkheden werden waargenomen door haar moeder Koningin-Regentes
Emma, die erin slaagde om het Huis van Oranje weer populair te maken. Koningin
Wilhelmina werd gekroond in 1898 en trouwde in 1901 met de Duitse Prins Hendrik
van Mecklenburg Schwerin. Zij kregen één kind, Prinses Juliana
(geboren 1909).
1945-2000
(Duitsland)
Met de Duitse overgave in mei 1945 kwam een einde aan een historische periode
die in feite in 1870 was begonnen met de vorming van het Tweede Duitse
Keizerrijk. De nederlaag in de Tweede Wereldoorlog bracht het Duitse
grondgebied terug tot ca. 360.000 km2. Daarmee was Duitsland bijna de helft
kleiner dan voor de oorlog, maar nog altijd tien zo groot als Nederland. De
nazi-regering had de controle over het land verloren en in grote delen van het
land heerste anarchie. Het bestuur werd daarom voorlopig overgenomen door de
overwinnaars: de VS, de Sovjet-Unie (USSR) en Groot-Brittannië. Frankrijk
mocht ook een gedeelte bezetten en besturen.
De eigenlijke bezetting kwam in 1949 ten einde met de stichting van twee
zelfstandige Duitse staten: de Duitse Bondsrepubliek ("Bundesrepublik
Deutschland", BRD) in het westen en de Duitse Demokratische Republiek
("Deutsche Demokratische Republik", DDR) in het Oosten. Pas in het
begin van de jaren 1970 erkenden de beide staten elkaar, maar de Bondsrepubliek
(die zichzelf zag als het enige "echte" Duitsland) bleef de burgers
van de DDR beschouwen als burgers van de Bondsrepubliek. Onderwijl vocht de DDR
voor internationale erkenning. In het Westen kwam die erkenning pas aan het
begin van de jaren 1970. De sport was een geliefd middel voor de regering van
de DDR om bekendheid en aanzien te verwerven. Kosten noch moeite werden
gespaard om de DDR aan gouden medailles te helpen. Het is ironisch dat net op
het ogenblik dat de DDR erkend was en intern sterk leek te zijn, dat toen de
ineenstorting begon.
Die ineenstorting in 1989 kwam niet van binnenuit maar werd veroorzaakt door
het hervormingsproces dat halverwege de jaren 1980 in de Sovjet-Unie begon. De
DDR was steeds sterk georiënteerd op de Sovjet-Unie. De Bondsrepubliek
werd ingebed in westelijke bondgenootschappen. In de eerste plaats, via de NAVO
en een reeks andere internationale organisaties, aan de VS en zijn bondgenoten.
In de tweede plaats, vooral sinds het begin van de jaren 1960, aan Frankrijk en
aan de leden van de Europese Gemeenschappen. De Frans-Duitse samenwerking (de
"as" Parijs-Bonn) was en is onmisbaar voor de Europese samenwerking.
Toen in 1990 de beide Duitse staten werden verenigd, was dat alleen mogelijk
als Duitsland zijn sterke nationale munt zou inruilen voor een Europese munt,
de Euro. Daarmee is Duitsland nu verenigd, maar stevig ingebed in een hele
serie bondgenootschappen en verdragen die de armslag van de nationale regering
sterk aan banden leggen. Voor het eerst in de moderne geschiedenis is er nu een
Duitse nationale staat, waartoe de meeste Duitsers (80 miljoen) daadwerkelijk
behoren.
1943-2000 (Argentinië)
In feite is Argentinië onafhankelijk sinds 25
mei 1810. In 1816 werd de onafhankelijkheid formeel uitgeroepen (op 9 juli). Na
een lange periode van burgeroorlogen trad omstreeks 1850 een stabilisatie op.
In 1853 werd een grondwet aangenomen die bijna anderhalve eeuw (zij het met
enkele opschortingen) van kracht is geweest. Van 1930 tot ongeveer 1990 stond
de democratie onder sterke druk. Het grootste probleem was om de relatief
dalende welvaart te verdelen onder een gestaag groeiende en politiek steeds
mondiger bevolking. Er zijn tientallen staatsgrepen en militaire opstanden
geweest, waarvan sommige hebben geleid tot de vestiging van een langdurig
militair regime, namelijk 1943-1946, 1955-1958, 1966-1973 en 1976-1983.
Inmiddels wordt Argentinië sinds 1983 door gekozen regeringen bestuurd. De
politieke rol van de militairen lijkt voorlopig uitgespeeld.
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië,
Indonesië)
De Indonesiche archipel werd bewoond door
verschillende bevolkingsgroepen die ten tijde van de VOC georganiseerd waren in
tal van vorstendommen en sultanaten. Met deze machthebbers werden verdragen
gesloten en oorlogen gevoerd om een handelsmonopolie te kunnen vestigen. Na de
opheffing van de Compagnie verloor het Indisch bestuur zijn autonome status en
werd ondergeschikt gemaakt aan de Nederlandse regering. Onder
gouverneur-generaal Daendels (1807-1811) werd een begin gemaakt met een nieuw
koloniaal stelsel en werden de vorstendommen op Java gedwongen tot overdracht
van souvereiniteit aan Nederland. Atjeh behield lange tijd een onafhankelijke
status. Onder luitenant-gouverneur Raffles (Napoleontische tijd) werd het
koloniale bewind voortgezet. De Java Oorlog (1825-1830) was de laatste
grootschalige opstand tegen het Nederlands gezag op Java, na beëindiging
van de Atjeh Oorlog (1873-1903) viel ook heel Sumatra onder Nederlands bestuur.
Het opkomend nationalisme aan het begin van de twintigste eeuw leidde tot
verlangen naar autonomie. De roep om onafhankelijkheid werd sterker voor en
tijdens de Tweede Wereldoorlog en gedurende de Japanse bezetting bereidden
politieke leiders zich voor op een vrij Indonesië. Na de capitulatie van
Japan werd op 15 augustus 1945 eenzijdig de Republiek Indonesia uitgeroepen.
Nederland trachtte met militair ingrijpen het koloniaal gezag te herstellen
(politionele acties van 1947 en 1948) maar moest, onder druk van de Verenigde
Naties, uiteindelijk instemmen met de soevereiniteitsoverdracht op 30 december
1949. Het Nederlands gebleven Nieuw-Guinea werd in 1963 aan Indonesië
overgedragen. ![]()
Oorlog
Oorlog, de gewelddadige oplossing van conflicten,
heeft per traditie een grote rol gespeeld in de Europese geschiedenis.
Weliswaar werd de paus beschouwd als de hoogste internationale politieke
autoriteit en als een soort Verenigde Naties die oorlog kon helpen voorkomen,
maar net als de VN tegenwoordig deed zijn bemoeienis vaak meer kwaad dan goed.
Er werd dus veel oorlog gevoerd en dat betekende natuurlijk veel
bloedvergieten, zinloos geweld en moedwillige vernieling.
Middeleeuwen (Europa)
In de middeleeuwen waren militaire acties meestal
in de eerste plaats gericht op de vernieling van andermans bezittingen. Alleen
als het slachtoffer probeerde zijn bezit te beschermen kon er vaak een echte
veldslag plaats vinden. In de Middeleeuwen was de zware gepantserde ruiterij
(edelen) meestal sterker dan de infanterie, die uit boeren en burgers bestond.
De krachtsverhouding op het slagveld was dus ook een afspiegeling van de
sociale en politieke verhoudingen, waarin de adel nu eenmaal machtiger was dan
de boeren en de burgers.
1945-2000
(Duitsland)
De Tweede Wereldoorlog kostte Duitsland bijna 4,5
miljoen doden. Daarnaast was Nazi-Duitsland verantwoordelijk voor de moord op
bijna 6 miljoen Joden en voor de dood van miljoenen anderen in Rusland, Polen,
de Balkan, Italië, Frankrijk, België en Nederland. Door
bombardementen op steden (sinds 1940) en door de hevige gevechten op Duits
grondgebied in 1944 en 1945, was onnoemelijk grote materiële schade
aangericht. Bij Duitslands vijanden leefde vaak heimelijke bewondering en
fascinatie voor de discipline, doelmatigheid en dapperheid waarmee de Duitse
soldaat vocht tegen een moedeloos makende overmacht. Tal van Duitse technische
vindingen (de ballistische raket, de kruisraket) zijn snel overgenomen door de
overwinnaars, vooral de VS en de Sovjet-Unie. Omstreeks 1950 mochten de beide
Duitse staten zich weer bewapenen. Het Oosten als onderdeel van het
Warschaupact, het Westen als lid van de NAVO. De Duitse herbewapening zo snel
na de oorlog stuitte op hevige kritiek en bezwaren in Oost en West. Duitse
soldaten zijn na 1945 herhaaldelijk betrokken bij acties buiten de eigen
grenzen. In 1968 namen soldaten van de DDR deel aan de bezetting van
Tsjechoslowakije door troepen van het Warschaupakt. Na de
"hereniging" in 1990 werden Duitse troepen ingezet in Somalië,
Bosnië en Kosovo, zij het in VN-verband of onder bevel van de NAVO.
1943-2000 (Argentinië)
In de Tweede Wereldoorlog bleef Argentinië
neutraal ondanks grote druk van de VS om Duitsland, Italië en Japan de
oorlog te verklaren. Het was vooral om Groot-Brittannië (de grootste
handelspartner) te gerieven, dat Argentinië vasthield aan de neutrale
status. Schepen die onder neutrale vlag voeren werden namelijk niet lastig
gevallen door Duitse onderzeeboten. In feite was Argentinië een
economische bondgenoot van de geallieerden. De regering van de VS was echter
woedend op Argentinië, en heeft daarom tot ca. 1950 geprobeerd om het op
alle mogelijke manieren te dwarsbomen. Zo is ook de mythe in omloop gekomen,
dat Argentinië bij uitstek een geliefd toevluchtsoord was voor allerlei
Nazi-misdadigers. Er zijn inderdaad honderden Nazi's naar Argentinië
gevlucht, maar die vallen in het niet bij de duizenden die naar de VS zijn
gegaan, waar ze met hun technische en wetenschappelijke kennis van harte welkom
waren. In de jaren 1960 en 1970 woedde een soort burgeroorlog in
Argentinië tussen allerlei linkse guerrillagroepen en leger en politie.
Daarbij zijn enkele tienduizenden gedood, hoofdzakelijk guerrillastrijders en
onschuldigen. In 1982 voerde Argentinië met Groot-Brittannië oorlog
om de Malvinas/Falklandeilanden, waarbij meer dan duizend Argentijnse soldaten
sneuvelden.
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
Oorlog met Spanje en Portugal stond aan het begin
van de Nederlandse expansie in de Indische archipel. Rivaliteit op zee was
oorzaak van de vierde Engelse oorlog (1780-1784) en in 1810 was Nederland bij
het Napoleontische Frankrijk ingelijfd en als zodanig opnieuw vijand van
Engeland dat van 1811-1816 de Nederlandse koloniën bezette.Gedurende de
hele koloniale periode waren er gewapende conflicten tussen het Nederlandse
gouvernement en plaatselijke heersers die voor hun eigen belangen opkwamen en
hun tradities wilden handhaven. In de Minangkabau woedde de Padri-oorlog
(1815-1838) tegen islamitische fundamentalisten, op Java leidde Diponegoro de
opstand die tot de Java Oorlog (1825-1830) leidde, er waren militaire acties
tegen Palembang op Sumatra (1821), Bone op Celebes (1825), het eiland Nias
(1847), Bali (1849),Lombok (1894) enz. Ingrijpend was de Atjeh Oorlog
(1873-1903) die langer duurde dan in eerste instantie was gedacht en veel
mensenlevens kostte. In 1942 begon de Japanse invasie van Indië en moest
het Koninklijke Nederlands-Indische leger zich na enkele weken van hevige
gevechten overgeven. Na de capitulatie van Japan en het eenzijdig uitroepen van
de republiek Indonesië in 1945 verzetten de republikeinen zich tegen de
Nederlandse pogingen het gezag te herstellen met een guerilla-oorlog
(1945-1949). ![]()
Cultuur
Het is nauwelijks mogelijk om een goede definitie
te geven van "cultuur," en het is al even moeilijk om te omschrijven
wat "Europees" is. Makkelijker is het om aan te geven wat cultuur
allemaal niet is en wat niet Europees is. Vast staat dat beide begrippen,
vooral ook in combinatie met elkaar, dikwijls zijn en worden misbruikt voor
duistere politieke doelen. Onder cultuur zijn in elk geval te verstaan allerlei
uitingen van kunst en wetenschap en dan meestal die uitingen die een zekere
blijvende waarde en waardering hebben.
Middeleeuwen (Europa)
In de middeleeuwen had de Europese cultuur een sterk
godsdienstig karakter. De meeste uitingen van "hogere" cultuur waren
op de een of andere manier verbonden met de georganiseerde godsdienst, of dat
nu het rooms-katholieke, het orthodoxe, het islamitische, of het joodse geloof
was. Universiteiten hadden altijd een kerkelijke binding, evenals de meeste
vormen van middelbaar en lager onderwijs. Aangezien kerken vaak de grootste
stenen gebouwen waren in een stad, werden er vaak toneelstukken opgevoerd,
markten gehouden en andere activiteiten die veel publiek trokken. De grote
meerderheid van de bevolking kon niet lezen. Er was trouwens niet zo veel om te
lezen, aangezien boeken uiterst schaars waren en dus onbetaalbaar voor de
meeste mensen. Pas de uitvinding en verbreiding van de boekdrukkunst
(halverwege de 15de eeuw) bracht daar verandering in. Sinds dat moment zijn
steeds meer mensen gaan leren lezen.
1945-2000
(Duitsland)
De Duitse Cultuur, een van de hoofdbestanddelen
van de Europese beschaving, heeft ernstig geleden onder de twaalf jaar Nazisme
en de bijna zes jaar oorlog. Na de capitulatie in mei 1945 kwam het culturele
leven (toneel, cabaret, literatuur) vrij snel van de grond. Bekend is de
"Gruppe 47" van onder andere Nobelprijswinnaar Heinrich Böll en
Günther Grass. Bertolt Brecht en tal van andere linkse intellectuelen
vestigden zich in de DDR. In de jaren 1970 maakte de Duitse cinema
internationaal furore (Rainer-Werner Fassbinder, Werner Herzog, Margarethe von
Trotta, Wim Wenders). De Duitse wetenschap herstelde zich relatief snel van de
gevolgen van de oorlog. Bijna twintig (Westduitse) geleerden ontvingen
Nobelprijzen. Dat gold ook voor de universiteiten. Niettemin was het een groot
probleem dat veel bibliotheken waren vernietigd en dat daarbij wetenschappelijk
en cultureel materiaal van onschatbare waarde was verloren gegaan.
Voor het cultuurleven was de invoering van de televisie, in de jaren 1950, van
grote betekenis. In de jaren 1980 werd de Duitse politieserie Derrick, met
commissaris Derrick en zijn trouwe knecht Harry, een wereldwijd succes en droeg
zo bij tot de nuancering van een traditioneel negatief Duitslandbeeld. De
Duitse muziekmarkt (vroeger platen, nu CD's) is de grootste van Europa en heeft
tal van buitenlandse artiesten, onder wie zelfs Amerikanen en Engelsen (zoals
Elis Presley) ertoe gebracht, Duitse opnames te maken. Duitse musici (de groep
Kraftwerk) speelden een hoofdrol in de begintijd van de populaire electronische
muziek (techno en dergelijke).
Vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is het verenigde Duitsland
weer een van de pijlers van de Europese cultuur, naast Frankrijk en de VS. De
Duitse taal heeft veel aan invloed verloren. Voor 1945 was het de belangrijkste
wetenschapstaal, en in Midden- en Oost-Europa de belangrijkste handelstaal. Die
posities heeft het Engels nu veroverd. Er zijn bijna 95 miljoen Europeanen (in
ca. 10 landen) die Duits spreken als moedertaal. Daarmee is het Duits, na het
Russisch, de "grootste" taal van Europa.
1943-2000
(Argentinië)
Lange tijd kon Argentinië beschouwd worden
als een land met een Europese cultuur, dankzij de miljoenen immigranten uit
alle Europese landen. Veel immigranten en hun kinderen bleven nauwe contacten
onderhouden met hun land van herkomst. Sinds ongeveer 1985 is Argentinië
sterk onder Amerikaanse invloed komen te staan. Inmiddels zijn Parijs, Rome en
Madrid (en Londen en Berlijn) niet meer de oriëntatiepunten voor de
Argentijnse cultuur maar veeleer New York en Miami. De beoefening van
wetenschap en cultuur staan sinds omstreeks 1900 in Argentinië op hoog
niveau. Zelfs het bewind van Perón heeft daarin niet echt veel kunnen
veranderen. Tot op heden hebben in Latijns-Amerika alleen Argentijnse geleerden
een wetenschappelijke Nobelprijs ontvangen (Houssay, Leloir en Milstein),
hetgeen veel zegt over het niveau van de Argentijnse wetenschap in de
Latijns-Amerikaanse context. Argentijnse schrijvers zoals Borges,
Cortázar, Bioy Casares en Sábato behoren tot de top van de
Latijns-Amerikaanse letterkunde en worden nog altijd door miljoenen over de
hele wereld gelezen. Borges is misschien wel de invloedrijkste
Latijns-Amerikaanse schrijver. De Argentijnse (staats)-universiteiten hebben de
crisis van de jaren 1950 en 1960 ternauwernood kunnen overleven. Evenals elders
is het onderwijsniveau gedaald en genivelleerd. Werkelijk vernieuwend onderzoek
wordt in Argentinië allang niet meer aan de staatsuniversiteiten verricht,
maar hoogstens in privé-instellingen en laboratoria.
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
Het culturele leven in Indonesië was
gebaseerd op tradities uit de verschillende bevolkingsgroepen. Een Maleise,
merendeels islamitische, literaire traditie ontwikkelde zich in het westen
(Java, Sumatra, Malakka), de verhalen van het Javaanse en Balinese wajang-spel
werden gebaseerd op hindoeïstische heldendichten uit het verleden en in de
kratons ontwikkelde zich een sierlijke sacrale danskunst. Architectuur en
verfijnde decoraties op wapens, sierraden en batik gaven blijk van grote
artisticiteit. Kenmerkend voor het muziekleven was het gamelan-orkest,
voornamelijk bestaande uit slagwerkinstrumenten. In de oude koloniale
samenleving was het heel normaal dat Europese mannen met een Indische vrouw
(njai) samenleefden of trouwden en een gezin vormden. Onder het cultuurstelsel
leidden de gemeenschappelijke belangen van de Pamong Pradja en de Europese
planters in de vorstenlanden tot wederzijdse contacten en beïnvloeding. Zo
ontwikkelde zich een Javaans-Europese levensstijl. De vermenging van culturen
uitte zich in de manier van wonen, kleden, eten en ontspanning. Aan het eind
van de negentiende eeuw kwam in Nederland een op het Oosten georiënteerde
stroming op gang met gebatikte interieurstoffen, oosterse muurschilderingen en
Indische elementen in de architectuur. De vermenging van westerse en Aziatische
elementen kwam tot uitdrukking in het Koloniaal Instituut (nu Instituut voor de
Tropen) dat in 1926 in Amsterdam werd geopend. ![]()
Sociaal
Maatschappelijke verhoudingen zijn per definitie
ongelijk en onrechtvaardig. In twee eeuwen Europese geschiedenis zijn tal van
Europese landen en volkeren er echter in geslaagd om de scherpe kanten van de
sociale verhoudingen enigszins glad te strijken, waardoor de maatschappij als
geheel aan leefbaarheid heeft gewonnen.
Middeleeuwen (Europa)
De middeleeuwse samenleving was een
standenmaatschappij. Bovenaan stonden de adel en de kerk, onderaan de
buitenlanders en de Joden. Daartussenin stonden de burgers en de boeren,
waarbij de burgers weer iets belangrijker en invloedrijker waren dan de boeren.
Typisch voor de middeleeuwse samenleving was verder, dat de staat geen directe
relaties had met de bevolking. Er bestonden dus geen staatsburgers in de
moderne betekenis van het woord. Iedereen was lid van een corporatie, een
gemeenschap met een vastgelegde status. Dat kon een dorp zijn, of een gilde,
maar ook de adel, de universiteit of de kerk. Het was niet altijd overal
gemakkelijk om te ontsnappen aan de situatie waartoe je geboorte je had
veroordeeld. Daarom lijkt de middeleeuwse maatschappij vrij star. De kerk
predikte ook dat het goed was als iedereen tevreden was met zijn situatie en
niet telkens probeerde om daaraan te ontsnappen. Toch was de middeleeuwse
samenleving niet zo vastgeroest als wij vaak denken.
1880-1919 (Nederland)
De inzet van de Sociale Kwestie was de positie
van de economisch en sociaal zwakkeren tegenover de macht van werkgevers en
kapitalisten; in de sociale wetgeving was de positie van de arbeiders nog
onvoldoende geregeld, maar vooral het werk van het kabinet Pierson (1897-1901)
heeft veel betekend voor de sociale zekerheid.
Door de uitbreiding van het kiesrecht en door de noodzaak van maatschappelijke
en rechtspositionele versteviging van industrie-arbeiders konden politieke
bewegingen die opkwamen voor de sociaal-zwakkeren zich doen gelden.
1945-2000
(Duitsland)
De Duitse maatschappij is door de Tweede Wereldoorlog grondig veranderd. Meer
dan 12 miljoen "etnische" Duitsers ("Volksduitsers" in het
Nazijargon) vluchtten uit Oostpruisen, Polen, Tsjechoslowakije,
Joegoslavië, Hongarije en de Oostzeelanden naar het Westen. De breuk met
het verre verleden was totaal. De miljoenen "Heimatvertriebene" (uit
het vaderland weggejaagden) hebben het oude regionalistische karakter van de
Duitse samenleving wat minder star gemaakt. Niettemin is het regionaal gevoel
hier en daar nog sterk, vooral in Beieren, Hamburg en Bremen, de enige gebieden
die hun vooroorlogse collectieve identiteit hebben weten te behouden. De Duitse
maatschappij staat onder sterke invloed van de VS. De langdurige aanwezigheid
van een grote troepenmacht uit de VS heeft een duidelijk stempel gedrukt op
Duitsland. Van alle Europese landen was Duitsland overigens al aan het begin
van de 20ste eeuw verreweg het modernste, met een sterke economische groei en
grote, snelle sociale veranderingen. Net als in de VS had ook Duitsland toen al
een groot percentage vrouwen dat dagelijks buitenshuis werkte. Daardoor was
Duitsland al voor 1914 het meest "Amerikaanse" land van Europa. Net
als de Amerikanen waren de Duitsers al vroeg in deze eeuw sterk gefascineerd
door techniek, wetenschap en ruimtevaart.
1943-2000
(Argentinië)
De Argentijnse samenleving heeft veel te verduren gehad van militaire dictatuur
en van het peronistische beleid. Sinds de jaren 1950 zorgde de soms
duizelingwekkende inflatie, dikwijls met enkele honderden procenten per jaar en
dat jaren achter elkaar, voor grote onrust en nervositeit. Daarvan waren niet
alleen bankiers, beleggers en de rijken de dupe, maar vooral de middenklasse.
Met de waarde van het geld verdwenen ook normen en waarden. De maatschappij
heeft ook ernstig geleden onder de grote politieke verdeeldheid en de
"burgeroorlog" in de jaren 1960 en 1970. Inmiddels lijkt de
samenleving zich grotendeels te hebben hersteld van de rampen in het verleden,
al blijven de excessen van de strijd tegen de guerrilla in de "vuile
oorlog" (1974-1982) de gemoederen verdelen. Toch heeft de samenleving,
vooral door het moedige gedrag van enkelingen (zoals van de Moeders van de
Plaza de Mayo sinds 1978) een groter gevoel van eigenwaarde gekregen juist door
het desastreuze militaire bewind van Videla en zijn trawanten en opvolgers.
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
De inheemse bevolkingsgroepen toonden een grote
verscheidenheid met eigen kenmerken en waarden. Op Sumatra Atjehers, Bataks en
Maleiers; op Celebes Toradja, Makassaren en Boeginezen; op Borneo Dajaks; op
Java en Madura de Javanen, Soendanezen en Madoerezen; op Nieuw-Guinea de
Papoea's en op de Molukse eilanden de Molukkers, waarmee de opsomming nog
geenszins compleet is. De bevolking van Java was verdeeld in twee klassen:
onderop stond de grote massa van het volk en daarboven stond de elite of
priyayi. De adel van Surakarta en Jogyakarta was hoofd van alle priyayi en
behield onder het Nederlands bestuur wel haar hoge positie maar oefende geen
politieke macht meer uit. Aan het eind van de negentiende eeuw waren zij
geworden tot bestuursambtenaren in dienst van het gouvernement en hadden zij
als regent de leiding over inheemse bestuursstructuren onder leiding van het
Nederlandse oppergezag. De opleiding van regentenzonen werd verzorgd door de
zogenaamde Hoofdenscholen, de latere OSVIA'S. De hogere priyayi keken neer op
practische beroepen als arts of onderwijzer en hadden weinig belangstelling
voor beroepsopleidingen. Het gouvernement beloofde in 1891 dat elke jongere die
voor 'Dr.Djawa' wilde leren gratis Europees onderwijs mocht volgen. Veel
kinderen van de lagere (weinig kapitaalkrachtige) prijaji grepen deze kans om
hogerop te komen. Uit deze kringen kwamen later de eerste nationalistische
bewegingen voort. De bevolking in de vorstenlanden gingen tot ver in de
twintigste eeuw gebukt onder zware herendiensten die voor de overige
plattelandsbevolking al in 1916 waren afgeschaft. Na de Eerste Wereldoorlog
(1914-1918) kwam door het toegenomen aantal Europese immigranten, waaronder
veel vrouwen, een europeaniseringsproces op gang. De nieuwkomers verzetten zich
tegen de 'verindisching' van de maatschappij en onder de Nederlanders werd de
Europese leefwijze de norm. De Indische jeugd kreeg een Europees stempel door
het Europese onderwijs, de elite stuurde haar zonen naar Nederlandse
universiteiten. Daar werd het kader gecreëerd waaruit de leiders van het
latere Indonesië voortkwamen. ![]()
Economie
Tegenwoordig is Europa een van de drie
kerngebieden van de wereldeconomie (samen met Noord-Amerika en Oost-Azië).
Sinds ongeveer 1300 is de groei van de Europese economie soms werkelijk
onstuimig geweest. Bijna alle uitvindingen die ons leven veraangenamen zijn in
Europa gedaan. Europa is de bakermat van de moderne landbouw, de industrie en
de wereldhandel. Weliswaar is de fakkel van de voorhoede soms door anderen
overgenomen maar de Europese voorsprong is op vele terreinen nog steeds groot.
Middeleeuwen (Europa)
De middeleeuwse economie was grotendeels
gebaseerd op de landbouw. De meeste mensen woonden op het platteland en werkten
op het land als boer of horige. Het werk was meestal zwaar, al maakten in
sommige streken paarden en ossen als trekdieren (voor ploegen en karren) het
werk aanmerkelijk lichter. De nijverheid was geconcentreerd in de steden
(bijvoorbeeld de Vlaamse steden waar wollen stoffen werden gemaakt) of in
streken waar ijzererts en brandstof werden gevonden. In het dal van de Maas en
in het Frankenland (rond Neurenberg) was er bijvoorbeeld een grote productie
van ijzeren voorwerpen zoals messen, zeisen, ploegen, enzovoort. De handel en
het bankwezen waren vooral geconcentreerd in de Noord-Italiaanse steden en in
een aantal steden in de rest van Europa. Handelswaar werd zowel per schip
vervoerd als over land per kar of muilezel, bijvoorbeeld over de Alpen, waar de
Sint Bernhardpas en de Sint Gotthardpas een essentiële rol speelden in het
verkeer tussen Zuid- en Midden-Europa.
1945-2000 (Duitsland)
De Duitse economie was in 1945 voor een groot deel
vernietigd. Het productieapparaat in de grote industriegebieden (Ruhrgebied,
Silezië, Midden-Duitsland, de grote steden) was kapotgebombardeerd. Veel
van de talrijke vaklieden die als soldaat dienden, sneuvelden of keerden pas na
jaren uit krijgsgevangenschap terug. De miljoenen buitenlandse arbeiders uit
alle delen van Europa (velen niet veel meer dan arbeidsslaven) konden eindelijk
terug naar hun vaderland. De bezettingsmachten ontmantelden veel resterende
fabrieken en brachten de machines naar hun eigen land. Vooral de Sovjets gingen
hier nog lang mee door. Tegen het einde van de jaren 1940 begon het herstel van
de economie in het Westen. De munt werd gesaneerd (invoering D-Mark), een goed
fiscaal klimaat werd geschapen en de arbeiders kregen goede secundaire
arbeidsvoorwaarden (onder andere inspraak). Met vereende krachten kwam zo het
"Wirtschaftswunder" van de grond. Van essentieel belang was daarbij
de grote binnenlandse vraag en de Europese economische integratie, die een
reusachtige afzetmarkt creëerde voor Duitse producten. In de jaren 1960
werd de Bondsrepubliek een welvarend land en moest op grote schaal
"gastarbeiders" rekruteren in de landen rond de Middellandse Zee
(Turkije). In het Oosten was de wederopbouw een stuk moeilijker. In de jaren
1950 heerste er nog grote armoede. Hier deed een bescheiden welvaart pas zijn
intrede in de jaren 1970. De DDR werd voor Oost-Europese begrippen een rijk
land dankzij een gevarieerde industrie. De DDR was de tiende industrienatie in
de wereld. Maar kort daarop, omstreeks 1980, begon het socialistische systeem
te bezwijken.
Het verenigde Duitsland moest de verpauperde DDR tegen hoge kosten zien te
integreren. Daarvoor werd de Treuhandanstalt ("trustinstituut")
opgericht, die het staatsbezit moest privatiseren. Maar door de hervorming van
het economisch systeem in het oosten daalde de productie er dramatisch. De
ontmanteling van de staatsbedrijven veroorzaakte grote werkeloosheid en
menselijk leed. Sneller dan aanvankelijk verwacht, wijzen vele tekenen erop dat
na tien jaar ernstige problemen de integratie aan het slagen is.
1943-2000 (Argentinië)
Argentinië is vanouds een belangrijke
leverancier van vlees, huiden en graan. Tijdens en onmiddellijk na de Tweede
Wereldoorlog had het land grote financiële reserves opgebouwd door de
levering op krediet aan de geallieerden, vooral aan Groot-Brittannië. Na
1945 is dit geld grotendeels gebruikt voor de aankoop van de infrastructuur
(spoorwegen, telefoon, nutsbedrijven), maar niet voor de verbetering van de
landbouw, veeteelt en industrie. De dalende productiviteit van de landbouw en
veeteelt en de belemmering van de export naar Europa ondergroeven de
Argentijnse economie. Na 1950 was het geld op en moesten buitenlandse
investeerders weer worden uitgenodigd. Omstreeks 1960 kwamen die investeringen
op gang en leidden tot een groei van de industrie, vooral de productie van
auto's. Begin jaren 1970 ontstond een crisis die werd gekenmerkt door hoge
inflatie en steeds verder dalende productiviteit. Pas na 1992 begon
Argentinië weer uit dit dal omhoog te kruipen, toen de regering besloot om
de munt vast te koppelen aan de Amerikaanse dollar en om alle staatsbedrijven
te verkopen. De prijs was echter hoog: groeiende werkloosheid. ![]()
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
De economie was gebaseerd op de verbouw van
handelsgewassen, in eerste instantie opgelegd door de VOC, later door het
cultuurstelsel. Na 1900 groeide de economie stormachtig door de import van
Europees kapitaal. Op Java bloeiden de suiker- en theeplantages, op Sumatra en
Borneo expandeerden vooral de aardolie- en de rubberindustrie (automobielen).
Met de opkomst van de margarineindustrie rees de vraag naar plantaardige
oliën en vetten (kopra, palmolie). Een groot deel van de kopra, koffie,
peper, kapok, tapioca, nootmuskaat en andere voedingsgewassen kwam van de
inheemse landbouw. Indische ondernemers kwamen in aanraking met de
productiemethoden en -technieken van de westerse plantages. De eens zo
welvarende Molukse economie stagneerde echter en de eilanden vormden nog
slechts een reservoir van militairen voor het KNIL en administratieve
bestuursambtenaren. In de crisis van de jaren dertig daalde de uitvoer, raakten
honderdduizenden werkloos en daalden de lonen tot een minimum. De
suikerindustrie stortte volledig in. Het gouvernement ging over tot een geleide
economie; de productie werd teruggeschroefd en de interne markt werd via
protectionisme beschermd tegen goedkope (rijst)importen uit Japan en Thailand.
Op Java nam de verbouw van rijst de plaats in van de suikerteelt. Java kon op
den duur in eigen behoefte voorzien en zelfs rijst exporteren. Nieuw economisch
beleid stimuleerde de inheemse textielindustrie. Vanaf 1937 trok de economie
weer aan en in 1940 was Nederlands-Indië samen met Brits-Malakka de
grootste rubberleverancier van de wereld (90%). Tinleveranties bedroegen 40%
van de wereldproductie en de Verenigde Staten waren de grootste afnemer van tin
en rubber. Daarnaast leverde Indië agrarische producten als kopra (73% van
de wereldproductie), palmolie (56%), sisal (25%), hennep (50%) en kapok (70%).
Voor Japan, dat bijna al zijn grondstoffen moest importeren, was het van groot
belang Indië binnen de Groot-Aziatische welvaartssfeer te trekken. Na de
Tweede Wereldoorlog en de revolutie volgde een tijd van industrialisatie en
voorspoedig economisch herstel. Door de oliecrisis in 1973 en de stijgende
olieprijzen verloor Indonesië een deel van zijn olieafzet aan Japan en
liep ook de overige export terug. In de jaren negentig vertoonde de economie
weer een opgaande lijn. ![]()
Politiek
De basisregels voor de politiek zijn vrij
eenvoudig. Die zijn dan ook van alle tijden en van alle landen en volkeren. Een
van de vereisten voor succes is dat men nooit in het openbaar moet zeggen wat
men werkelijk denkt. Een belangrijke regel is loyaliteit aan de juiste
personen. Een andere regel luidt bijvoorbeeld: "eerst worden de vijanden
gestraft en dan worden de vrienden beloond, in die volgorde." Politiek is
dan ook synoniem aan corruptie, al hoeft dat niet altijd te betekenen dat er
met geld wordt geschoven. Sommige politici kunnen geen weerstand bieden aan de
lokroep van idealen en zetten zich in voor hogere doelen met een ijver die hen
noodlottig kan worden. De regels zijn weliswaar in beginsel eenvoudig, maar er
zijn talloze subtiele variaties al naar gelang plaats en tijd, en niet zelden
worden vergissingen en fouten met de dood gestraft (door executie of
moordaanslagen). Ook in het hedendaagse Europa is dat nog niet wezenlijk anders
dan in vroeger tijden.
Middeleeuwen (Europa)
In de middeleeuwen was de politiek volkomen
anders dan vandaag de dag. Er waren geen partijen zoals wij die kennen, er
waren slechts verkiezingen in sommige steden (daaraan kon niet zomaar iedereen
meedoen) en er waren verkiezingen voor het koningschap, zoals in Duitsland en
Polen. Ook daaraan mochten maar heel weinig mensen (alleen de hoogste adel)
deelnemen. Parlementen en volksvertegenwoordigingen zoals die nu normaal zijn
in Europa, waren er niet. Die dateren pas van omstreeks 1900. Wel was er in
sommige landen, zoals Castilië of Engeland, een parlement met
vertegenwoordigers van de drie standen (adel, geestelijkheid en burgerij),
waaraan de koning toestemming moest vragen voor het heffen of verhogen van de
belastingen. Deze parlementen (in Castilië Cortes genoemd) zijn met enige
goede wil te beschouwen als de oervorm van de moderne parlementaire democratie
in West-Europa.
1880-1919 (Nederland)
In de Kiesstrijd werd de uitbreiding van de
grondwettelijke bepalingen inzake het kiesrecht bevochten. In 1917 werd het
algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd en in 1919 voor vrouwen. Door het
oprekken van de groepen kiesgerechtigden-de census-in 1887 en 1896 (de Wet van
Van Houten) mochten steeds meer Nederlanders stemmen.
De Nederlandse buitenlandse politiek was tussen 1880 en 1919 eerst sterk op
Duitsland gericht, ook door de Britse oorlogvoering tegen de stamverwante
Boeren in de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog (1899-1902). Het leger en de marine
werden omstreeks 1900 versterkt en gemoderniseerd, maar Nederland werd met rust
gelaten tijdens de Eerste Wereldoorlog omdat de regering had gekozen voor een
stricte neutraliteitspolitiek. De relatie met de kolonie Nederlands-Indië
veranderde toen in 1901 de Ethische Politiek werd ingezet, een soort
ontwikkelingshulp binnen koloniaal kader. Verder werd steeds meer gewerkt aan
de opbouw van politieke organen in Nederlands-Indië. Er onststond een
bescheiden Indonesisch Nationalisme en de eerste Indonesische
emancipatiebewegingen deden van zich horen.
1945-2000
(Duitsland)
De geallieerde overwinnaars hebben na 1945 geprobeerd om hun eigen politieke
systeem in te voeren in de delen van Duitsland die ze bezet hielden. Zo werd
het Sovjetsysteem ingevoerd in de Sovjet-bezettingszone "SBZ"
(Sowjetische Besatzungszone) in het Oosten en het Angelsaksische
tweepartijenstelsel in het Westen. In West-Duitsland kwam een federaal bestel
van de grond dat deels was geïnspireerd door de VS en Zwitserland, maar
dat ook teruggreep op regionale tendenzen in de Duitse politieke traditie. De
pijlers van het systeem zijn het parlement (Bundestag, Bondsdag) en het
federale constitutionele gerechtshof (Bundesverfassungsgericht, in Karlsruhe).
De minister-president (Bundeskanzler, Bondskanselier) wordt door de Bondsdag
aangewezen en bezit een grote macht. De Duitsers zelf wilden vooreerst niets
weten van een veelpartijenstelsel zoals dat bestond tijdens de "Republiek
van Weimar" (1918-1933). Partijen die na 1949 niet minstens 5% van de
uitgebrachte stemmen haalden, kregen geen zetel in de Bondsdag. Tot de jaren
1980 waren er in feite twee partijen, de Socialisten (SPD) en de
Christen-democraten. De liberale FDP fungeerde steeds als noodzakelijke
coalitiepartner en kon daardoor steeds de scherpste kanten van de twee grootste
partijen glad maken. De Neonazi's (NPD) speelden geen rol van betekenis. De
landelijke Christen-democratische CDU opereerde steeds samen met de CSU, de
Beierse Christen-democraten. Sinds 1954 was de Communistische Partij in het
Westen verboden. In de jaren 1980 kwamen de Groenen in de Bondsdag en
doorbraken daarmee het heersende systeem. In de DDR (Duitse Democratische
Republiek) waren weliswaar meer partijen toegestaan maar zij konden slechts
onder oppertoezicht van de SED (Socialistische Eenheidspartij van Duitsland)
functioneren. De belangrijkste en meest gezichtsbepalende politici waren de
Bondskanseliers Konrad Adenauer (1949-1963), Willy Brandt (1969-1974) en Helmut
Kohl (1982-1998), en de DDR-leiders Walter Ulbricht (1953-1973) en Erich
Honecker (1973-1989).
1943-2000
(Argentinië)
De belangrijkste politieke partijen waren steeds de Partido
Justicialista (PJ), zoals de Peronistische partij officieel heet, en de
Unión Cívica Radical (UCR, Radicale Burgerunie), de oudste
politieke partij van Latijns-Amerika. Van 1946 tot 1983 hadden de peronisten
zonder enige twijfel de grootste aanhang. Na een radicaal intermezzo van 1983
tot 1989 herwonnen zij deze positie en behielden deze tot 1997. Andere
politieke partijen hebben nauwelijks een rol gespeeld, al was hun invloed soms
groter dan hun stemmenaandeel bij verkiezingen zou doen vermoeden. De
Argentijnse Communistische Partij had bijvoorbeeld steeds een stabiele aanhang
en had veel sympathie bij kunstenaars, schrijvers, intellectuelen en geleerden.
Ook de liberaal-katholieke UCD (Unión del Centro
Democrático) had een grote invloed, vooral dankzij de aanhang onder
de maatschappelijke elite. De belangrijkste politicus was zonder meer Juan
Domingo Perón, die van 1943 tot zijn dood in 1974 een onuitwisbaar
stempel heeft gedrukt op de Argentijnse politiek. Ook tijdens zijn langdurige
ballingschap bepaalde hij in feite grotendeels de politiek, al was het maar
door de angst die zijn tegenstanders hadden voor zijn terugkeer. De directe rol
en invloed van zijn tweede vrouw, Eva Duarte de Perón, was misschien
minder groot, maar zij was het die het gezicht van het Peronisme bepaalde, ook
lang na haar dood in 1952. Nog altijd is zij de "madonna van de
peronisten". De Peronist Carlos Saúl Menem, die in 1989 president
werd, is net als de stichter van de partij, een gewiekste opportunist met
weinig scrupules. Buiten de partijen hadden ook de vakbonden, waaronder vooral
de grote CGT (Confederación General de Trabajadores, Algemeen
Vakverbond), de kerk, het bedrijfsleven en het leger grote invloed op de
politiek. De rol van het leger was uitgespeeld na 1983, de macht van de
vakbonden is door Menem gebroken en ook de kerk heeft veel van haar invloed en
macht verloren.
1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
Doel van de VOC was uitsluitend het vestigen van factorijen en het verkrijgen
van handelsproducten zonder zich met interne aangelegenheden te bemoeien.
Desondanks werden bewindhebbers door locale heersers gedwongen tot politieke
participatie om hun belangen te beschermen. Na de opheffing van de VOC kwam het
bestuur in handen van de Nederlandse regering die in 1830 besloot tot invoering
van het cultuurstelsel. Java werd geexploiteerd als wingewest en de invloed in
de buitengewesten werd uitgebreid via militaire acties. Aan het eind van de
negentiende eeuw ontwikkelden zich ideeën over een meer ethische politiek
die de belangen van de inheemse bevolking vooropstelde. De Ethische Politiek
werd in 1901 tot beleid verklaard en zaken als onderwijs, gezondheidszorg,
verbetering van de infrastructuur en landbouwhervormingen (irrigatieprojecten)
kregen prioriteit. Vanaf 1908 ontstonden nationalistische bewegingen die
ijverden voor de emancipatie van de inheemse bevolking en autonomie in de
toekomst. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stimuleerde het
zelfstandigheidsstreven en in 1916 besloot Nederland tot de oprichting van een
Volksraad waarin Indische vertegenwoordigers waren opgenomen. In de crisistijd
van de jaren dertig nam de ontevredenheid van de bevolking met het Nederlandse
bestuur toe en wisten nationalistische leiders als Soekarno en Hatta de massa
te inspireren. Een petitie in de Volksraad (1936) om te komen tot een
Nederlands-Indonesische Unie, werd door de Nederlandse regering afgewezen. Ook
latere verzoeken om meer autonomie en een eigen parlement werden niet
gehonoreerd. Onder de Japanse bezetting wisten nationalistische leiders via
collaboratie hun invloed uit te breiden om na capitulatie van Japan de
onafhankelijkheid eenzijdig uit te roepen. Nederland streefde met politionele
acties naar rekolonisatie van de Indonesische archipel maar moest in 1949 de
soevereiniteit overdragen.![]()