Thema's

De geschiedenis kan tot leven komen als je verband kunt leggen tussen personen, gebeurtenissen, landen en culturen. De gebeurtenissen in volgorde over de jaren (zie de chronologische tabellen door te klikken op de kaart op de Home pagina) zijn op zichzelf natuurlijk interessant, maar ze komen pas tot hun recht als ze verbonden worden door thema's. De thema's die StudyBuddy voor jou behandelt zijn:

Godsdienst Dynastieën en staten Oorlog Cultuur Sociaal Economie Politiek



Godsdienst
Na de Tweede Wereldoorlog leek het een tijdlang verder bergafwaarts te gaan met de georganiseerde godsdienst in Europa. Vooral het Christendom heeft daaronder geleden. Velen konden de verschrikkingen van de oorlog niet rijmen met het bestaan van een God die de naastenliefde als hoogste goed liet verkondigen. De industrialisatie sinds de 19de eeuw en de socialistische strijd om een menswaardig bestaan hadden daarvoor al velen van het geloof doen afvallen. Aan de vooravond van het Derde Millennium lijkt het er echter op, dat de aanhang van zowel Christendom als de Islam in Europa weer aan het groeien is. Daarmee sluiten de Europeanen van vandaag weer sterker aan bij hun voorouders, voor wie het geloof in een vredig en harmonisch "leven na de dood" veel steun betekende in de harde strijd om het bestaan.

Middeleeuwen (Europa)
De middeleeuwers waren meer blootgesteld aan de grillen van de natuur dan de Westeuropeanen van vandaag. Vaak waren ze ook godsdienstiger dan wij tegenwoordig zijn, al speelde het bijgeloof ook een grote rol in hun levens. In het Westen en Zuiden van Europa waren de meeste mensen rooms-katholiek, in Oost-Europa en op de Balkan meestal Orthodox. In Spanje woonden veel moslims, evenals in Zuid-Italië (vooral op Sicilië). Over heel Europa verspreid, en hier en daar geconcentreerd, bijvoorbeeld in het Rijnland, woonden ook veel Joden. De meeste Europeanen geloofden dus in het bestaan van een enkele God. Heidenen waren vooral te vinden langs de Oostkust van de Oostzee en in Finland. De belangrijkste religieuze organisatie was de rooms-katholieke kerk. Het hoofd van de kerk, de bisschop van Rome, (de paus), beschikte over een grote macht. De paus werd beschouwd als de erfgenaam van de vroegere Romeinse Keizers en maakte aanspraak op volledige zeggenschap in alle belangrijke godsdienstige en politieke zaken.

1880-1919 (Nederland)
De Schoolstrijd was een politiek conflict dat na 1850 werd uitgevochten tussen kerkelijke partijen en partijen zonder godsdienstige grondslag. Inzet van de Schoolstrijd was het bijzonder onderwijs (onderwijs op godsdienstige basis) door gelijke subsidiëring gelijk te stellen met het openbaar onderwijs. In 1878 werd in de Lager Onderwijs-wet van het kabinet van J. Kappeyne van de Coppello alleen het neutraal onderwijs gesubsidieerd. De Rooms-katholieken en de Anti-Revolutionare Partij, dat wil zeggen hun leiders H.J.A.M. Schaepman en A. Kuyper, werden al snel bondgenoten. In de Grondwet van 1887 leek de subsidiëring van bijzonder onderwijs mogelijk geworden. Door het coalitie-kabinet Mackay dat in 1888 was aangetreden, werd in 1889 een wetsvoorstel gedaan waardoor subsidiëring ook voor bijzonder onderwijs gold.

1945-2000 (Duitsland)
Ook voor de godsdienst in Duitsland is de Nazi-dictatuur met al zijn verschrikkingen van beslissende invloed geweest. Hoewel veel Duitsers onder de Nazi's hebben gehandeld zonder zich teveel morele vragen te stellen (overigens evenals miljoenen andere Europeanen dat hebben gedaan) waren er enkelen die de moed hadden om zich anders te gedragen. Beroemd is onder hen de Protestantse theoloog Dietrich Bonhoeffer, vermoord in een concentratiekamp. Ook onder de Rooms-katholieken waren dergelijke dapperen te vinden. De zogenaamde Vergangenheitsbewältigung (de afrekening met het collectieve verleden) is op gang gebracht door de kerken. In de DDR hebben de (protestantse) kerken een hoofdrol gespeeld bij de ontmanteling van de SED-dictatuur en de "Wende", de ineenstorting van het communisme. Evenals in de rest van West-Europa, waar in totaal zo'n 15 miljoen Moslims wonen, groeit de Islam in Duitsland sterk. Er zijn inmiddels ongeveer vier miljoen Moslims in Duitsland, overwegend Turken.

1943-2000 (Argentinië)
Voor meer dan 90% is de Argentijnse bevolking rooms-katholiek. Er zijn echter enkele belangrijke religieuze minderheden. De Joodse gemeenschap van ca. 400.000 personen is de grootste van Latijns-Amerika, maar is aan het afnemen. Veel jonge Joden trouwen met rooms-katholieken en verlaten zo in feite de Joodse gemeenschap. De meer dan 1 miljoen personen van Arabische afkomst zijn in meerderheid rooms-katholiek. Er zijn kleine, maar actieve protestantse groepen, waarvan de Presbyteriaanse kerk (van oorsprong Schots calvinistisch) de oudste is en de aanzienlijkste. Daarnaast zijn er enkele duizenden Luthersen. De invloed van de rooms-katholieke kerk op het maatschappelijk leven was vroeger veel groter, al gingen hoofdzakelijk alleen de vrouwen en de jongere kinderen op zondag naar de kerk. Tot voor kort was Argentinië, samen met Ierland, het conservatiefste katholieke land: echtscheiding en geboortebeperking waren er strikt verboden. Inmiddels waait ook in Argentinië een wat modernere wind op dit gebied.

1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
In Indonesië heerst vrijheid van godsdienst. De bevolking is grotendeels islamitisch (87%), het aantal christenen, meest protestant, bedraagt ca. 10%, boeddhisten vindt men onder de chinezen en hindoes op Bali. Oorspronkelijk waren de bewoners van Indonesië boeddhisten en hindoes. De respectievelijk boeddhistische (Borubudur) en Hindoeïstische (Prambanan) tempels op Java getuigen daar nog van. Kooplieden uit Voor-Indië brachten de islam in de 14e en 15e eeuw naar Java en Sumatra. In Atjeh ontstond een orthodoxe vorm van islam die daar in de 16e eeuw werd gepredikt door Arabieren, in de vorstendommen op Java ontstond een lossere, aangepaste vorm. De Adat (gewoonterecht) werd geprefereerd boven de voorschriften in de Koran, de vorsten verklaarden zich tot geestelijk leider. Er bestond een voorspelling dat de Javanen lange tijd onder vreemde volkeren moesten leven, eerst witte, later gele - die heerschappij zou niet lang duren - en daarna zou er vrede en welvaart heersen onder een rechtvaardig vorst, de Ratoe Adil (Messias-gedachte).Vorstenzoon Diponegoro kreeg religieuze visioenen en dacht dat die rol voor hem was weggelegd (Java Oorlog 1825-1830) . Met de oprichting van de islamitische hervormingsbeweging Muhammadiyah (1912) verkondigde Achmad Dahlan een modernere opvatting die moest leiden tot sociaal-culturele verheffing van de inheemse bevolking. Uitvloeisel hiervan was het bewust Indonesische Taman-Siswo onderwijs, gebaseerd op eigen cultuur en eigen waarde in de eigen taal. De Europese christelijke zending was vooral succesvol op de Molukken en in de Minahassa (Sulawesi).

Dynastieën en staten
Veel landen in Europa werden geregeerd door families, dynastieën, waarin de rechten van de heerser (koning, hertog, markies, graaf, baron) van vader op kinderen (meestal naar de zoon) werden doorgegeven. Wie een "verstandig" huwelijk sloot, kon dus ook aanspraak maken op de erfrechten van zijn schoonvader. In de loop van de tijd wisten bepaalde families zo een grote persoonlijke macht op te bouwen, bijvoorbeelde de Staufen en de Habsburgers in Duitsland en de Valois, de Anjous en de Bourgondiërs in Frankrijk. De machtigste dynastieën waren de vorstenhuizen van de grote Europese koninkrijken, maar talrijke hertogelijke en grafelijke families (denk aan de oorspronkelijk Duitse Nassaus) hadden ook opmerkelijk succes bij hun huwelijkspolitiek. De macht van de heersersfamilies en de adel werd steeds meer aan banden gelegd door de steden, die economisch steeds belangrijker werden. Naarmate het economisch belang van de steden groeide, werd de vorst afhankelijker van de belastingen die hij in de steden kon heffen. In ruil voor medewerking aan de inning van belastingen eisten de steden invloed op het bestuur van het land. De politieke macht van de dynastieën werd tenslotte gebroken door de Nederlandse opstand van 1568 en de Franse Revolutie van 1789.

1880-1919 (Nederland)
Na de dood van haar drie halfbroers en van haar vader, de norse en ontoegankelijke Koning Willem III in 1890, kwam de 10-jarige Prinses Wilhelmina in aanmerking om de troon te bestijgen. Prinses Wilhelmina's verantwoordelijkheden werden waargenomen door haar moeder Koningin-Regentes Emma, die erin slaagde om het Huis van Oranje weer populair te maken. Koningin Wilhelmina werd gekroond in 1898 en trouwde in 1901 met de Duitse Prins Hendrik van Mecklenburg Schwerin. Zij kregen één kind, Prinses Juliana (geboren 1909).

1945-2000 (Duitsland)
Met de Duitse overgave in mei 1945 kwam een einde aan een historische periode die in feite in 1870 was begonnen met de vorming van het Tweede Duitse Keizerrijk. De nederlaag in de Tweede Wereldoorlog bracht het Duitse grondgebied terug tot ca. 360.000 km2. Daarmee was Duitsland bijna de helft kleiner dan voor de oorlog, maar nog altijd tien zo groot als Nederland. De nazi-regering had de controle over het land verloren en in grote delen van het land heerste anarchie. Het bestuur werd daarom voorlopig overgenomen door de overwinnaars: de VS, de Sovjet-Unie (USSR) en Groot-Brittannië. Frankrijk mocht ook een gedeelte bezetten en besturen.
De eigenlijke bezetting kwam in 1949 ten einde met de stichting van twee zelfstandige Duitse staten: de Duitse Bondsrepubliek ("Bundesrepublik Deutschland", BRD) in het westen en de Duitse Demokratische Republiek ("Deutsche Demokratische Republik", DDR) in het Oosten. Pas in het begin van de jaren 1970 erkenden de beide staten elkaar, maar de Bondsrepubliek (die zichzelf zag als het enige "echte" Duitsland) bleef de burgers van de DDR beschouwen als burgers van de Bondsrepubliek. Onderwijl vocht de DDR voor internationale erkenning. In het Westen kwam die erkenning pas aan het begin van de jaren 1970. De sport was een geliefd middel voor de regering van de DDR om bekendheid en aanzien te verwerven. Kosten noch moeite werden gespaard om de DDR aan gouden medailles te helpen. Het is ironisch dat net op het ogenblik dat de DDR erkend was en intern sterk leek te zijn, dat toen de ineenstorting begon.
Die ineenstorting in 1989 kwam niet van binnenuit maar werd veroorzaakt door het hervormingsproces dat halverwege de jaren 1980 in de Sovjet-Unie begon. De DDR was steeds sterk georiënteerd op de Sovjet-Unie. De Bondsrepubliek werd ingebed in westelijke bondgenootschappen. In de eerste plaats, via de NAVO en een reeks andere internationale organisaties, aan de VS en zijn bondgenoten. In de tweede plaats, vooral sinds het begin van de jaren 1960, aan Frankrijk en aan de leden van de Europese Gemeenschappen. De Frans-Duitse samenwerking (de "as" Parijs-Bonn) was en is onmisbaar voor de Europese samenwerking. Toen in 1990 de beide Duitse staten werden verenigd, was dat alleen mogelijk als Duitsland zijn sterke nationale munt zou inruilen voor een Europese munt, de Euro. Daarmee is Duitsland nu verenigd, maar stevig ingebed in een hele serie bondgenootschappen en verdragen die de armslag van de nationale regering sterk aan banden leggen. Voor het eerst in de moderne geschiedenis is er nu een Duitse nationale staat, waartoe de meeste Duitsers (80 miljoen) daadwerkelijk behoren.

1943-2000 (Argentinië)
In feite is Argentinië onafhankelijk sinds 25 mei 1810. In 1816 werd de onafhankelijkheid formeel uitgeroepen (op 9 juli). Na een lange periode van burgeroorlogen trad omstreeks 1850 een stabilisatie op. In 1853 werd een grondwet aangenomen die bijna anderhalve eeuw (zij het met enkele opschortingen) van kracht is geweest. Van 1930 tot ongeveer 1990 stond de democratie onder sterke druk. Het grootste probleem was om de relatief dalende welvaart te verdelen onder een gestaag groeiende en politiek steeds mondiger bevolking. Er zijn tientallen staatsgrepen en militaire opstanden geweest, waarvan sommige hebben geleid tot de vestiging van een langdurig militair regime, namelijk 1943-1946, 1955-1958, 1966-1973 en 1976-1983. Inmiddels wordt Argentinië sinds 1983 door gekozen regeringen bestuurd. De politieke rol van de militairen lijkt voorlopig uitgespeeld.

1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
De Indonesiche archipel werd bewoond door verschillende bevolkingsgroepen die ten tijde van de VOC georganiseerd waren in tal van vorstendommen en sultanaten. Met deze machthebbers werden verdragen gesloten en oorlogen gevoerd om een handelsmonopolie te kunnen vestigen. Na de opheffing van de Compagnie verloor het Indisch bestuur zijn autonome status en werd ondergeschikt gemaakt aan de Nederlandse regering. Onder gouverneur-generaal Daendels (1807-1811) werd een begin gemaakt met een nieuw koloniaal stelsel en werden de vorstendommen op Java gedwongen tot overdracht van souvereiniteit aan Nederland. Atjeh behield lange tijd een onafhankelijke status. Onder luitenant-gouverneur Raffles (Napoleontische tijd) werd het koloniale bewind voortgezet. De Java Oorlog (1825-1830) was de laatste grootschalige opstand tegen het Nederlands gezag op Java, na beëindiging van de Atjeh Oorlog (1873-1903) viel ook heel Sumatra onder Nederlands bestuur. Het opkomend nationalisme aan het begin van de twintigste eeuw leidde tot verlangen naar autonomie. De roep om onafhankelijkheid werd sterker voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog en gedurende de Japanse bezetting bereidden politieke leiders zich voor op een vrij Indonesië. Na de capitulatie van Japan werd op 15 augustus 1945 eenzijdig de Republiek Indonesia uitgeroepen. Nederland trachtte met militair ingrijpen het koloniaal gezag te herstellen (politionele acties van 1947 en 1948) maar moest, onder druk van de Verenigde Naties, uiteindelijk instemmen met de soevereiniteitsoverdracht op 30 december 1949. Het Nederlands gebleven Nieuw-Guinea werd in 1963 aan Indonesië overgedragen.

Oorlog
Oorlog, de gewelddadige oplossing van conflicten, heeft per traditie een grote rol gespeeld in de Europese geschiedenis. Weliswaar werd de paus beschouwd als de hoogste internationale politieke autoriteit en als een soort Verenigde Naties die oorlog kon helpen voorkomen, maar net als de VN tegenwoordig deed zijn bemoeienis vaak meer kwaad dan goed. Er werd dus veel oorlog gevoerd en dat betekende natuurlijk veel bloedvergieten, zinloos geweld en moedwillige vernieling.

Middeleeuwen (Europa)
In de middeleeuwen waren militaire acties meestal in de eerste plaats gericht op de vernieling van andermans bezittingen. Alleen als het slachtoffer probeerde zijn bezit te beschermen kon er vaak een echte veldslag plaats vinden. In de Middeleeuwen was de zware gepantserde ruiterij (edelen) meestal sterker dan de infanterie, die uit boeren en burgers bestond. De krachtsverhouding op het slagveld was dus ook een afspiegeling van de sociale en politieke verhoudingen, waarin de adel nu eenmaal machtiger was dan de boeren en de burgers.

1945-2000 (Duitsland)
De Tweede Wereldoorlog kostte Duitsland bijna 4,5 miljoen doden. Daarnaast was Nazi-Duitsland verantwoordelijk voor de moord op bijna 6 miljoen Joden en voor de dood van miljoenen anderen in Rusland, Polen, de Balkan, Italië, Frankrijk, België en Nederland. Door bombardementen op steden (sinds 1940) en door de hevige gevechten op Duits grondgebied in 1944 en 1945, was onnoemelijk grote materiële schade aangericht. Bij Duitslands vijanden leefde vaak heimelijke bewondering en fascinatie voor de discipline, doelmatigheid en dapperheid waarmee de Duitse soldaat vocht tegen een moedeloos makende overmacht. Tal van Duitse technische vindingen (de ballistische raket, de kruisraket) zijn snel overgenomen door de overwinnaars, vooral de VS en de Sovjet-Unie. Omstreeks 1950 mochten de beide Duitse staten zich weer bewapenen. Het Oosten als onderdeel van het Warschaupact, het Westen als lid van de NAVO. De Duitse herbewapening zo snel na de oorlog stuitte op hevige kritiek en bezwaren in Oost en West. Duitse soldaten zijn na 1945 herhaaldelijk betrokken bij acties buiten de eigen grenzen. In 1968 namen soldaten van de DDR deel aan de bezetting van Tsjechoslowakije door troepen van het Warschaupakt. Na de "hereniging" in 1990 werden Duitse troepen ingezet in Somalië, Bosnië en Kosovo, zij het in VN-verband of onder bevel van de NAVO.

1943-2000 (Argentinië)
In de Tweede Wereldoorlog bleef Argentinië neutraal ondanks grote druk van de VS om Duitsland, Italië en Japan de oorlog te verklaren. Het was vooral om Groot-Brittannië (de grootste handelspartner) te gerieven, dat Argentinië vasthield aan de neutrale status. Schepen die onder neutrale vlag voeren werden namelijk niet lastig gevallen door Duitse onderzeeboten. In feite was Argentinië een economische bondgenoot van de geallieerden. De regering van de VS was echter woedend op Argentinië, en heeft daarom tot ca. 1950 geprobeerd om het op alle mogelijke manieren te dwarsbomen. Zo is ook de mythe in omloop gekomen, dat Argentinië bij uitstek een geliefd toevluchtsoord was voor allerlei Nazi-misdadigers. Er zijn inderdaad honderden Nazi's naar Argentinië gevlucht, maar die vallen in het niet bij de duizenden die naar de VS zijn gegaan, waar ze met hun technische en wetenschappelijke kennis van harte welkom waren. In de jaren 1960 en 1970 woedde een soort burgeroorlog in Argentinië tussen allerlei linkse guerrillagroepen en leger en politie. Daarbij zijn enkele tienduizenden gedood, hoofdzakelijk guerrillastrijders en onschuldigen. In 1982 voerde Argentinië met Groot-Brittannië oorlog om de Malvinas/Falklandeilanden, waarbij meer dan duizend Argentijnse soldaten sneuvelden.

1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
Oorlog met Spanje en Portugal stond aan het begin van de Nederlandse expansie in de Indische archipel. Rivaliteit op zee was oorzaak van de vierde Engelse oorlog (1780-1784) en in 1810 was Nederland bij het Napoleontische Frankrijk ingelijfd en als zodanig opnieuw vijand van Engeland dat van 1811-1816 de Nederlandse koloniën bezette.Gedurende de hele koloniale periode waren er gewapende conflicten tussen het Nederlandse gouvernement en plaatselijke heersers die voor hun eigen belangen opkwamen en hun tradities wilden handhaven. In de Minangkabau woedde de Padri-oorlog (1815-1838) tegen islamitische fundamentalisten, op Java leidde Diponegoro de opstand die tot de Java Oorlog (1825-1830) leidde, er waren militaire acties tegen Palembang op Sumatra (1821), Bone op Celebes (1825), het eiland Nias (1847), Bali (1849),Lombok (1894) enz. Ingrijpend was de Atjeh Oorlog (1873-1903) die langer duurde dan in eerste instantie was gedacht en veel mensenlevens kostte. In 1942 begon de Japanse invasie van Indië en moest het Koninklijke Nederlands-Indische leger zich na enkele weken van hevige gevechten overgeven. Na de capitulatie van Japan en het eenzijdig uitroepen van de republiek Indonesië in 1945 verzetten de republikeinen zich tegen de Nederlandse pogingen het gezag te herstellen met een guerilla-oorlog (1945-1949).

Cultuur
Het is nauwelijks mogelijk om een goede definitie te geven van "cultuur," en het is al even moeilijk om te omschrijven wat "Europees" is. Makkelijker is het om aan te geven wat cultuur allemaal niet is en wat niet Europees is. Vast staat dat beide begrippen, vooral ook in combinatie met elkaar, dikwijls zijn en worden misbruikt voor duistere politieke doelen. Onder cultuur zijn in elk geval te verstaan allerlei uitingen van kunst en wetenschap en dan meestal die uitingen die een zekere blijvende waarde en waardering hebben.

Middeleeuwen (Europa)
In de middeleeuwen had de Europese cultuur een sterk godsdienstig karakter. De meeste uitingen van "hogere" cultuur waren op de een of andere manier verbonden met de georganiseerde godsdienst, of dat nu het rooms-katholieke, het orthodoxe, het islamitische, of het joodse geloof was. Universiteiten hadden altijd een kerkelijke binding, evenals de meeste vormen van middelbaar en lager onderwijs. Aangezien kerken vaak de grootste stenen gebouwen waren in een stad, werden er vaak toneelstukken opgevoerd, markten gehouden en andere activiteiten die veel publiek trokken. De grote meerderheid van de bevolking kon niet lezen. Er was trouwens niet zo veel om te lezen, aangezien boeken uiterst schaars waren en dus onbetaalbaar voor de meeste mensen. Pas de uitvinding en verbreiding van de boekdrukkunst (halverwege de 15de eeuw) bracht daar verandering in. Sinds dat moment zijn steeds meer mensen gaan leren lezen.

1945-2000 (Duitsland)
De Duitse Cultuur, een van de hoofdbestanddelen van de Europese beschaving, heeft ernstig geleden onder de twaalf jaar Nazisme en de bijna zes jaar oorlog. Na de capitulatie in mei 1945 kwam het culturele leven (toneel, cabaret, literatuur) vrij snel van de grond. Bekend is de "Gruppe 47" van onder andere Nobelprijswinnaar Heinrich Böll en Günther Grass. Bertolt Brecht en tal van andere linkse intellectuelen vestigden zich in de DDR. In de jaren 1970 maakte de Duitse cinema internationaal furore (Rainer-Werner Fassbinder, Werner Herzog, Margarethe von Trotta, Wim Wenders). De Duitse wetenschap herstelde zich relatief snel van de gevolgen van de oorlog. Bijna twintig (Westduitse) geleerden ontvingen Nobelprijzen. Dat gold ook voor de universiteiten. Niettemin was het een groot probleem dat veel bibliotheken waren vernietigd en dat daarbij wetenschappelijk en cultureel materiaal van onschatbare waarde was verloren gegaan.
Voor het cultuurleven was de invoering van de televisie, in de jaren 1950, van grote betekenis. In de jaren 1980 werd de Duitse politieserie Derrick, met commissaris Derrick en zijn trouwe knecht Harry, een wereldwijd succes en droeg zo bij tot de nuancering van een traditioneel negatief Duitslandbeeld. De Duitse muziekmarkt (vroeger platen, nu CD's) is de grootste van Europa en heeft tal van buitenlandse artiesten, onder wie zelfs Amerikanen en Engelsen (zoals Elis Presley) ertoe gebracht, Duitse opnames te maken. Duitse musici (de groep Kraftwerk) speelden een hoofdrol in de begintijd van de populaire electronische muziek (techno en dergelijke).
Vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is het verenigde Duitsland weer een van de pijlers van de Europese cultuur, naast Frankrijk en de VS. De Duitse taal heeft veel aan invloed verloren. Voor 1945 was het de belangrijkste wetenschapstaal, en in Midden- en Oost-Europa de belangrijkste handelstaal. Die posities heeft het Engels nu veroverd. Er zijn bijna 95 miljoen Europeanen (in ca. 10 landen) die Duits spreken als moedertaal. Daarmee is het Duits, na het Russisch, de "grootste" taal van Europa.

1943-2000 (Argentinië)
Lange tijd kon Argentinië beschouwd worden als een land met een Europese cultuur, dankzij de miljoenen immigranten uit alle Europese landen. Veel immigranten en hun kinderen bleven nauwe contacten onderhouden met hun land van herkomst. Sinds ongeveer 1985 is Argentinië sterk onder Amerikaanse invloed komen te staan. Inmiddels zijn Parijs, Rome en Madrid (en Londen en Berlijn) niet meer de oriëntatiepunten voor de Argentijnse cultuur maar veeleer New York en Miami. De beoefening van wetenschap en cultuur staan sinds omstreeks 1900 in Argentinië op hoog niveau. Zelfs het bewind van Perón heeft daarin niet echt veel kunnen veranderen. Tot op heden hebben in Latijns-Amerika alleen Argentijnse geleerden een wetenschappelijke Nobelprijs ontvangen (Houssay, Leloir en Milstein), hetgeen veel zegt over het niveau van de Argentijnse wetenschap in de Latijns-Amerikaanse context. Argentijnse schrijvers zoals Borges, Cortázar, Bioy Casares en Sábato behoren tot de top van de Latijns-Amerikaanse letterkunde en worden nog altijd door miljoenen over de hele wereld gelezen. Borges is misschien wel de invloedrijkste Latijns-Amerikaanse schrijver. De Argentijnse (staats)-universiteiten hebben de crisis van de jaren 1950 en 1960 ternauwernood kunnen overleven. Evenals elders is het onderwijsniveau gedaald en genivelleerd. Werkelijk vernieuwend onderzoek wordt in Argentinië allang niet meer aan de staatsuniversiteiten verricht, maar hoogstens in privé-instellingen en laboratoria.

1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
Het culturele leven in Indonesië was gebaseerd op tradities uit de verschillende bevolkingsgroepen. Een Maleise, merendeels islamitische, literaire traditie ontwikkelde zich in het westen (Java, Sumatra, Malakka), de verhalen van het Javaanse en Balinese wajang-spel werden gebaseerd op hindoeïstische heldendichten uit het verleden en in de kratons ontwikkelde zich een sierlijke sacrale danskunst. Architectuur en verfijnde decoraties op wapens, sierraden en batik gaven blijk van grote artisticiteit. Kenmerkend voor het muziekleven was het gamelan-orkest, voornamelijk bestaande uit slagwerkinstrumenten. In de oude koloniale samenleving was het heel normaal dat Europese mannen met een Indische vrouw (njai) samenleefden of trouwden en een gezin vormden. Onder het cultuurstelsel leidden de gemeenschappelijke belangen van de Pamong Pradja en de Europese planters in de vorstenlanden tot wederzijdse contacten en beïnvloeding. Zo ontwikkelde zich een Javaans-Europese levensstijl. De vermenging van culturen uitte zich in de manier van wonen, kleden, eten en ontspanning. Aan het eind van de negentiende eeuw kwam in Nederland een op het Oosten georiënteerde stroming op gang met gebatikte interieurstoffen, oosterse muurschilderingen en Indische elementen in de architectuur. De vermenging van westerse en Aziatische elementen kwam tot uitdrukking in het Koloniaal Instituut (nu Instituut voor de Tropen) dat in 1926 in Amsterdam werd geopend.

Sociaal
Maatschappelijke verhoudingen zijn per definitie ongelijk en onrechtvaardig. In twee eeuwen Europese geschiedenis zijn tal van Europese landen en volkeren er echter in geslaagd om de scherpe kanten van de sociale verhoudingen enigszins glad te strijken, waardoor de maatschappij als geheel aan leefbaarheid heeft gewonnen.

Middeleeuwen (Europa)
De middeleeuwse samenleving was een standenmaatschappij. Bovenaan stonden de adel en de kerk, onderaan de buitenlanders en de Joden. Daartussenin stonden de burgers en de boeren, waarbij de burgers weer iets belangrijker en invloedrijker waren dan de boeren. Typisch voor de middeleeuwse samenleving was verder, dat de staat geen directe relaties had met de bevolking. Er bestonden dus geen staatsburgers in de moderne betekenis van het woord. Iedereen was lid van een corporatie, een gemeenschap met een vastgelegde status. Dat kon een dorp zijn, of een gilde, maar ook de adel, de universiteit of de kerk. Het was niet altijd overal gemakkelijk om te ontsnappen aan de situatie waartoe je geboorte je had veroordeeld. Daarom lijkt de middeleeuwse maatschappij vrij star. De kerk predikte ook dat het goed was als iedereen tevreden was met zijn situatie en niet telkens probeerde om daaraan te ontsnappen. Toch was de middeleeuwse samenleving niet zo vastgeroest als wij vaak denken.

1880-1919 (Nederland)
De inzet van de Sociale Kwestie was de positie van de economisch en sociaal zwakkeren tegenover de macht van werkgevers en kapitalisten; in de sociale wetgeving was de positie van de arbeiders nog onvoldoende geregeld, maar vooral het werk van het kabinet Pierson (1897-1901) heeft veel betekend voor de sociale zekerheid.
Door de uitbreiding van het kiesrecht en door de noodzaak van maatschappelijke en rechtspositionele versteviging van industrie-arbeiders konden politieke bewegingen die opkwamen voor de sociaal-zwakkeren zich doen gelden.

1945-2000 (Duitsland)
De Duitse maatschappij is door de Tweede Wereldoorlog grondig veranderd. Meer dan 12 miljoen "etnische" Duitsers ("Volksduitsers" in het Nazijargon) vluchtten uit Oostpruisen, Polen, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Hongarije en de Oostzeelanden naar het Westen. De breuk met het verre verleden was totaal. De miljoenen "Heimatvertriebene" (uit het vaderland weggejaagden) hebben het oude regionalistische karakter van de Duitse samenleving wat minder star gemaakt. Niettemin is het regionaal gevoel hier en daar nog sterk, vooral in Beieren, Hamburg en Bremen, de enige gebieden die hun vooroorlogse collectieve identiteit hebben weten te behouden. De Duitse maatschappij staat onder sterke invloed van de VS. De langdurige aanwezigheid van een grote troepenmacht uit de VS heeft een duidelijk stempel gedrukt op Duitsland. Van alle Europese landen was Duitsland overigens al aan het begin van de 20ste eeuw verreweg het modernste, met een sterke economische groei en grote, snelle sociale veranderingen. Net als in de VS had ook Duitsland toen al een groot percentage vrouwen dat dagelijks buitenshuis werkte. Daardoor was Duitsland al voor 1914 het meest "Amerikaanse" land van Europa. Net als de Amerikanen waren de Duitsers al vroeg in deze eeuw sterk gefascineerd door techniek, wetenschap en ruimtevaart.

1943-2000 (Argentinië)
De Argentijnse samenleving heeft veel te verduren gehad van militaire dictatuur en van het peronistische beleid. Sinds de jaren 1950 zorgde de soms duizelingwekkende inflatie, dikwijls met enkele honderden procenten per jaar en dat jaren achter elkaar, voor grote onrust en nervositeit. Daarvan waren niet alleen bankiers, beleggers en de rijken de dupe, maar vooral de middenklasse. Met de waarde van het geld verdwenen ook normen en waarden. De maatschappij heeft ook ernstig geleden onder de grote politieke verdeeldheid en de "burgeroorlog" in de jaren 1960 en 1970. Inmiddels lijkt de samenleving zich grotendeels te hebben hersteld van de rampen in het verleden, al blijven de excessen van de strijd tegen de guerrilla in de "vuile oorlog" (1974-1982) de gemoederen verdelen. Toch heeft de samenleving, vooral door het moedige gedrag van enkelingen (zoals van de Moeders van de Plaza de Mayo sinds 1978) een groter gevoel van eigenwaarde gekregen juist door het desastreuze militaire bewind van Videla en zijn trawanten en opvolgers.


1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
De inheemse bevolkingsgroepen toonden een grote verscheidenheid met eigen kenmerken en waarden. Op Sumatra Atjehers, Bataks en Maleiers; op Celebes Toradja, Makassaren en Boeginezen; op Borneo Dajaks; op Java en Madura de Javanen, Soendanezen en Madoerezen; op Nieuw-Guinea de Papoea's en op de Molukse eilanden de Molukkers, waarmee de opsomming nog geenszins compleet is. De bevolking van Java was verdeeld in twee klassen: onderop stond de grote massa van het volk en daarboven stond de elite of priyayi. De adel van Surakarta en Jogyakarta was hoofd van alle priyayi en behield onder het Nederlands bestuur wel haar hoge positie maar oefende geen politieke macht meer uit. Aan het eind van de negentiende eeuw waren zij geworden tot bestuursambtenaren in dienst van het gouvernement en hadden zij als regent de leiding over inheemse bestuursstructuren onder leiding van het Nederlandse oppergezag. De opleiding van regentenzonen werd verzorgd door de zogenaamde Hoofdenscholen, de latere OSVIA'S. De hogere priyayi keken neer op practische beroepen als arts of onderwijzer en hadden weinig belangstelling voor beroepsopleidingen. Het gouvernement beloofde in 1891 dat elke jongere die voor 'Dr.Djawa' wilde leren gratis Europees onderwijs mocht volgen. Veel kinderen van de lagere (weinig kapitaalkrachtige) prijaji grepen deze kans om hogerop te komen. Uit deze kringen kwamen later de eerste nationalistische bewegingen voort. De bevolking in de vorstenlanden gingen tot ver in de twintigste eeuw gebukt onder zware herendiensten die voor de overige plattelandsbevolking al in 1916 waren afgeschaft. Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kwam door het toegenomen aantal Europese immigranten, waaronder veel vrouwen, een europeaniseringsproces op gang. De nieuwkomers verzetten zich tegen de 'verindisching' van de maatschappij en onder de Nederlanders werd de Europese leefwijze de norm. De Indische jeugd kreeg een Europees stempel door het Europese onderwijs, de elite stuurde haar zonen naar Nederlandse universiteiten. Daar werd het kader gecreëerd waaruit de leiders van het latere Indonesië voortkwamen.

Economie
Tegenwoordig is Europa een van de drie kerngebieden van de wereldeconomie (samen met Noord-Amerika en Oost-Azië). Sinds ongeveer 1300 is de groei van de Europese economie soms werkelijk onstuimig geweest. Bijna alle uitvindingen die ons leven veraangenamen zijn in Europa gedaan. Europa is de bakermat van de moderne landbouw, de industrie en de wereldhandel. Weliswaar is de fakkel van de voorhoede soms door anderen overgenomen maar de Europese voorsprong is op vele terreinen nog steeds groot.

Middeleeuwen (Europa)
De middeleeuwse economie was grotendeels gebaseerd op de landbouw. De meeste mensen woonden op het platteland en werkten op het land als boer of horige. Het werk was meestal zwaar, al maakten in sommige streken paarden en ossen als trekdieren (voor ploegen en karren) het werk aanmerkelijk lichter. De nijverheid was geconcentreerd in de steden (bijvoorbeeld de Vlaamse steden waar wollen stoffen werden gemaakt) of in streken waar ijzererts en brandstof werden gevonden. In het dal van de Maas en in het Frankenland (rond Neurenberg) was er bijvoorbeeld een grote productie van ijzeren voorwerpen zoals messen, zeisen, ploegen, enzovoort. De handel en het bankwezen waren vooral geconcentreerd in de Noord-Italiaanse steden en in een aantal steden in de rest van Europa. Handelswaar werd zowel per schip vervoerd als over land per kar of muilezel, bijvoorbeeld over de Alpen, waar de Sint Bernhardpas en de Sint Gotthardpas een essentiële rol speelden in het verkeer tussen Zuid- en Midden-Europa.

1945-2000 (Duitsland)
De Duitse economie was in 1945 voor een groot deel vernietigd. Het productieapparaat in de grote industriegebieden (Ruhrgebied, Silezië, Midden-Duitsland, de grote steden) was kapotgebombardeerd. Veel van de talrijke vaklieden die als soldaat dienden, sneuvelden of keerden pas na jaren uit krijgsgevangenschap terug. De miljoenen buitenlandse arbeiders uit alle delen van Europa (velen niet veel meer dan arbeidsslaven) konden eindelijk terug naar hun vaderland. De bezettingsmachten ontmantelden veel resterende fabrieken en brachten de machines naar hun eigen land. Vooral de Sovjets gingen hier nog lang mee door. Tegen het einde van de jaren 1940 begon het herstel van de economie in het Westen. De munt werd gesaneerd (invoering D-Mark), een goed fiscaal klimaat werd geschapen en de arbeiders kregen goede secundaire arbeidsvoorwaarden (onder andere inspraak). Met vereende krachten kwam zo het "Wirtschaftswunder" van de grond. Van essentieel belang was daarbij de grote binnenlandse vraag en de Europese economische integratie, die een reusachtige afzetmarkt creëerde voor Duitse producten. In de jaren 1960 werd de Bondsrepubliek een welvarend land en moest op grote schaal "gastarbeiders" rekruteren in de landen rond de Middellandse Zee (Turkije). In het Oosten was de wederopbouw een stuk moeilijker. In de jaren 1950 heerste er nog grote armoede. Hier deed een bescheiden welvaart pas zijn intrede in de jaren 1970. De DDR werd voor Oost-Europese begrippen een rijk land dankzij een gevarieerde industrie. De DDR was de tiende industrienatie in de wereld. Maar kort daarop, omstreeks 1980, begon het socialistische systeem te bezwijken.
Het verenigde Duitsland moest de verpauperde DDR tegen hoge kosten zien te integreren. Daarvoor werd de Treuhandanstalt ("trustinstituut") opgericht, die het staatsbezit moest privatiseren. Maar door de hervorming van het economisch systeem in het oosten daalde de productie er dramatisch. De ontmanteling van de staatsbedrijven veroorzaakte grote werkeloosheid en menselijk leed. Sneller dan aanvankelijk verwacht, wijzen vele tekenen erop dat na tien jaar ernstige problemen de integratie aan het slagen is.

1943-2000 (Argentinië)
Argentinië is vanouds een belangrijke leverancier van vlees, huiden en graan. Tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog had het land grote financiële reserves opgebouwd door de levering op krediet aan de geallieerden, vooral aan Groot-Brittannië. Na 1945 is dit geld grotendeels gebruikt voor de aankoop van de infrastructuur (spoorwegen, telefoon, nutsbedrijven), maar niet voor de verbetering van de landbouw, veeteelt en industrie. De dalende productiviteit van de landbouw en veeteelt en de belemmering van de export naar Europa ondergroeven de Argentijnse economie. Na 1950 was het geld op en moesten buitenlandse investeerders weer worden uitgenodigd. Omstreeks 1960 kwamen die investeringen op gang en leidden tot een groei van de industrie, vooral de productie van auto's. Begin jaren 1970 ontstond een crisis die werd gekenmerkt door hoge inflatie en steeds verder dalende productiviteit. Pas na 1992 begon Argentinië weer uit dit dal omhoog te kruipen, toen de regering besloot om de munt vast te koppelen aan de Amerikaanse dollar en om alle staatsbedrijven te verkopen. De prijs was echter hoog: groeiende werkloosheid.

1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
De economie was gebaseerd op de verbouw van handelsgewassen, in eerste instantie opgelegd door de VOC, later door het cultuurstelsel. Na 1900 groeide de economie stormachtig door de import van Europees kapitaal. Op Java bloeiden de suiker- en theeplantages, op Sumatra en Borneo expandeerden vooral de aardolie- en de rubberindustrie (automobielen). Met de opkomst van de margarineindustrie rees de vraag naar plantaardige oliën en vetten (kopra, palmolie). Een groot deel van de kopra, koffie, peper, kapok, tapioca, nootmuskaat en andere voedingsgewassen kwam van de inheemse landbouw. Indische ondernemers kwamen in aanraking met de productiemethoden en -technieken van de westerse plantages. De eens zo welvarende Molukse economie stagneerde echter en de eilanden vormden nog slechts een reservoir van militairen voor het KNIL en administratieve bestuursambtenaren. In de crisis van de jaren dertig daalde de uitvoer, raakten honderdduizenden werkloos en daalden de lonen tot een minimum. De suikerindustrie stortte volledig in. Het gouvernement ging over tot een geleide economie; de productie werd teruggeschroefd en de interne markt werd via protectionisme beschermd tegen goedkope (rijst)importen uit Japan en Thailand. Op Java nam de verbouw van rijst de plaats in van de suikerteelt. Java kon op den duur in eigen behoefte voorzien en zelfs rijst exporteren. Nieuw economisch beleid stimuleerde de inheemse textielindustrie. Vanaf 1937 trok de economie weer aan en in 1940 was Nederlands-Indië samen met Brits-Malakka de grootste rubberleverancier van de wereld (90%). Tinleveranties bedroegen 40% van de wereldproductie en de Verenigde Staten waren de grootste afnemer van tin en rubber. Daarnaast leverde Indië agrarische producten als kopra (73% van de wereldproductie), palmolie (56%), sisal (25%), hennep (50%) en kapok (70%). Voor Japan, dat bijna al zijn grondstoffen moest importeren, was het van groot belang Indië binnen de Groot-Aziatische welvaartssfeer te trekken. Na de Tweede Wereldoorlog en de revolutie volgde een tijd van industrialisatie en voorspoedig economisch herstel. Door de oliecrisis in 1973 en de stijgende olieprijzen verloor Indonesië een deel van zijn olieafzet aan Japan en liep ook de overige export terug. In de jaren negentig vertoonde de economie weer een opgaande lijn.

Politiek
De basisregels voor de politiek zijn vrij eenvoudig. Die zijn dan ook van alle tijden en van alle landen en volkeren. Een van de vereisten voor succes is dat men nooit in het openbaar moet zeggen wat men werkelijk denkt. Een belangrijke regel is loyaliteit aan de juiste personen. Een andere regel luidt bijvoorbeeld: "eerst worden de vijanden gestraft en dan worden de vrienden beloond, in die volgorde." Politiek is dan ook synoniem aan corruptie, al hoeft dat niet altijd te betekenen dat er met geld wordt geschoven. Sommige politici kunnen geen weerstand bieden aan de lokroep van idealen en zetten zich in voor hogere doelen met een ijver die hen noodlottig kan worden. De regels zijn weliswaar in beginsel eenvoudig, maar er zijn talloze subtiele variaties al naar gelang plaats en tijd, en niet zelden worden vergissingen en fouten met de dood gestraft (door executie of moordaanslagen). Ook in het hedendaagse Europa is dat nog niet wezenlijk anders dan in vroeger tijden.

Middeleeuwen (Europa)
In de middeleeuwen was de politiek volkomen anders dan vandaag de dag. Er waren geen partijen zoals wij die kennen, er waren slechts verkiezingen in sommige steden (daaraan kon niet zomaar iedereen meedoen) en er waren verkiezingen voor het koningschap, zoals in Duitsland en Polen. Ook daaraan mochten maar heel weinig mensen (alleen de hoogste adel) deelnemen. Parlementen en volksvertegenwoordigingen zoals die nu normaal zijn in Europa, waren er niet. Die dateren pas van omstreeks 1900. Wel was er in sommige landen, zoals Castilië of Engeland, een parlement met vertegenwoordigers van de drie standen (adel, geestelijkheid en burgerij), waaraan de koning toestemming moest vragen voor het heffen of verhogen van de belastingen. Deze parlementen (in Castilië Cortes genoemd) zijn met enige goede wil te beschouwen als de oervorm van de moderne parlementaire democratie in West-Europa.

1880-1919 (Nederland)
In de Kiesstrijd werd de uitbreiding van de grondwettelijke bepalingen inzake het kiesrecht bevochten. In 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd en in 1919 voor vrouwen. Door het oprekken van de groepen kiesgerechtigden-de census-in 1887 en 1896 (de Wet van Van Houten) mochten steeds meer Nederlanders stemmen.
De Nederlandse buitenlandse politiek was tussen 1880 en 1919 eerst sterk op Duitsland gericht, ook door de Britse oorlogvoering tegen de stamverwante Boeren in de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog (1899-1902). Het leger en de marine werden omstreeks 1900 versterkt en gemoderniseerd, maar Nederland werd met rust gelaten tijdens de Eerste Wereldoorlog omdat de regering had gekozen voor een stricte neutraliteitspolitiek. De relatie met de kolonie Nederlands-Indië veranderde toen in 1901 de Ethische Politiek werd ingezet, een soort ontwikkelingshulp binnen koloniaal kader. Verder werd steeds meer gewerkt aan de opbouw van politieke organen in Nederlands-Indië. Er onststond een bescheiden Indonesisch Nationalisme en de eerste Indonesische emancipatiebewegingen deden van zich horen.

1945-2000 (Duitsland)
De geallieerde overwinnaars hebben na 1945 geprobeerd om hun eigen politieke systeem in te voeren in de delen van Duitsland die ze bezet hielden. Zo werd het Sovjetsysteem ingevoerd in de Sovjet-bezettingszone "SBZ" (Sowjetische Besatzungszone) in het Oosten en het Angelsaksische tweepartijenstelsel in het Westen. In West-Duitsland kwam een federaal bestel van de grond dat deels was geïnspireerd door de VS en Zwitserland, maar dat ook teruggreep op regionale tendenzen in de Duitse politieke traditie. De pijlers van het systeem zijn het parlement (Bundestag, Bondsdag) en het federale constitutionele gerechtshof (Bundesverfassungsgericht, in Karlsruhe). De minister-president (Bundeskanzler, Bondskanselier) wordt door de Bondsdag aangewezen en bezit een grote macht. De Duitsers zelf wilden vooreerst niets weten van een veelpartijenstelsel zoals dat bestond tijdens de "Republiek van Weimar" (1918-1933). Partijen die na 1949 niet minstens 5% van de uitgebrachte stemmen haalden, kregen geen zetel in de Bondsdag. Tot de jaren 1980 waren er in feite twee partijen, de Socialisten (SPD) en de Christen-democraten. De liberale FDP fungeerde steeds als noodzakelijke coalitiepartner en kon daardoor steeds de scherpste kanten van de twee grootste partijen glad maken. De Neonazi's (NPD) speelden geen rol van betekenis. De landelijke Christen-democratische CDU opereerde steeds samen met de CSU, de Beierse Christen-democraten. Sinds 1954 was de Communistische Partij in het Westen verboden. In de jaren 1980 kwamen de Groenen in de Bondsdag en doorbraken daarmee het heersende systeem. In de DDR (Duitse Democratische Republiek) waren weliswaar meer partijen toegestaan maar zij konden slechts onder oppertoezicht van de SED (Socialistische Eenheidspartij van Duitsland) functioneren. De belangrijkste en meest gezichtsbepalende politici waren de Bondskanseliers Konrad Adenauer (1949-1963), Willy Brandt (1969-1974) en Helmut Kohl (1982-1998), en de DDR-leiders Walter Ulbricht (1953-1973) en Erich Honecker (1973-1989).

1943-2000 (Argentinië)
De belangrijkste politieke partijen waren steeds de Partido Justicialista (PJ), zoals de Peronistische partij officieel heet, en de Unión Cívica Radical (UCR, Radicale Burgerunie), de oudste politieke partij van Latijns-Amerika. Van 1946 tot 1983 hadden de peronisten zonder enige twijfel de grootste aanhang. Na een radicaal intermezzo van 1983 tot 1989 herwonnen zij deze positie en behielden deze tot 1997. Andere politieke partijen hebben nauwelijks een rol gespeeld, al was hun invloed soms groter dan hun stemmenaandeel bij verkiezingen zou doen vermoeden. De Argentijnse Communistische Partij had bijvoorbeeld steeds een stabiele aanhang en had veel sympathie bij kunstenaars, schrijvers, intellectuelen en geleerden. Ook de liberaal-katholieke UCD (Unión del Centro Democrático) had een grote invloed, vooral dankzij de aanhang onder de maatschappelijke elite. De belangrijkste politicus was zonder meer Juan Domingo Perón, die van 1943 tot zijn dood in 1974 een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt op de Argentijnse politiek. Ook tijdens zijn langdurige ballingschap bepaalde hij in feite grotendeels de politiek, al was het maar door de angst die zijn tegenstanders hadden voor zijn terugkeer. De directe rol en invloed van zijn tweede vrouw, Eva Duarte de Perón, was misschien minder groot, maar zij was het die het gezicht van het Peronisme bepaalde, ook lang na haar dood in 1952. Nog altijd is zij de "madonna van de peronisten". De Peronist Carlos Saúl Menem, die in 1989 president werd, is net als de stichter van de partij, een gewiekste opportunist met weinig scrupules. Buiten de partijen hadden ook de vakbonden, waaronder vooral de grote CGT (Confederación General de Trabajadores, Algemeen Vakverbond), de kerk, het bedrijfsleven en het leger grote invloed op de politiek. De rol van het leger was uitgespeeld na 1983, de macht van de vakbonden is door Menem gebroken en ook de kerk heeft veel van haar invloed en macht verloren.


1595-2000 (V.O.C., Nederlands Indië, Indonesië)
Doel van de VOC was uitsluitend het vestigen van factorijen en het verkrijgen van handelsproducten zonder zich met interne aangelegenheden te bemoeien. Desondanks werden bewindhebbers door locale heersers gedwongen tot politieke participatie om hun belangen te beschermen. Na de opheffing van de VOC kwam het bestuur in handen van de Nederlandse regering die in 1830 besloot tot invoering van het cultuurstelsel. Java werd geexploiteerd als wingewest en de invloed in de buitengewesten werd uitgebreid via militaire acties. Aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkelden zich ideeën over een meer ethische politiek die de belangen van de inheemse bevolking vooropstelde. De Ethische Politiek werd in 1901 tot beleid verklaard en zaken als onderwijs, gezondheidszorg, verbetering van de infrastructuur en landbouwhervormingen (irrigatieprojecten) kregen prioriteit. Vanaf 1908 ontstonden nationalistische bewegingen die ijverden voor de emancipatie van de inheemse bevolking en autonomie in de toekomst. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stimuleerde het zelfstandigheidsstreven en in 1916 besloot Nederland tot de oprichting van een Volksraad waarin Indische vertegenwoordigers waren opgenomen. In de crisistijd van de jaren dertig nam de ontevredenheid van de bevolking met het Nederlandse bestuur toe en wisten nationalistische leiders als Soekarno en Hatta de massa te inspireren. Een petitie in de Volksraad (1936) om te komen tot een Nederlands-Indonesische Unie, werd door de Nederlandse regering afgewezen. Ook latere verzoeken om meer autonomie en een eigen parlement werden niet gehonoreerd. Onder de Japanse bezetting wisten nationalistische leiders via collaboratie hun invloed uit te breiden om na capitulatie van Japan de onafhankelijkheid eenzijdig uit te roepen. Nederland streefde met politionele acties naar rekolonisatie van de Indonesische archipel maar moest in 1949 de soevereiniteit overdragen.