-------------------

      De ontwikkeling van het toerisme


tot 1815   Het moderne toerisme is ontstaan uit de "Grand Tour" die rijke Europese jongelui sinds de 16de eeuw maakten als onderdeel van hun opvoeding. Vooral bij Nederlandse en Engelse jongelieden was zo'n lange reis door Europa populair. De Grand Tour had een aantal vaste halteplaatsen en eindigde meestal in Italië, vaak in Rome. Onderweg werden bezoeken gebracht aan Parijs, de Alpen en belangrijke Noord-Italiaanse steden, zoals Florence. Pieter Corneliszoon Hooft, de schrijver van de Nederlandse Historiën, was een van de bekendste "Grand Touristen". In de 18de eeuw waren het veelal Engelse rijkeluiskinderen die een tour ondernamen. In de kwart eeuw tussen de Franse Revolutie en het Congres van Wenen in 1815 kon van toerisme voor de elite nauwelijks sprake zijn. Politieke onrust en oorlog maakte dat doorgaans te gevaarlijk. Toch maakten in deze periode miljoenen Europeanen (onder wie tienduizenden Nederlanders en Belgen) persoonlijk kennis met delen van het continent die ze onder normale omstandigheden nooit zouden hebben gezien: zij marcheerden als soldaat kriskras door heel Europa.

  1815 - 1914   Nadat Napoleon in 1815 definitief van het politieke toneel was verwijderd, kon het traditionele toerisme zich weer enigszins herstellen. Ook nu weer waren het vooral de mooie Zuid-Europese landschappen die onweerstaanbaar bleken voor Noorderlingen en Westerlingen. Goethe en Heine, bevangen door "Fernweh" (een smachtend verlangen naar verre landen) reisden naar Italië en schreven daar gedichten en verhalen over, die door een groot publiek werden gelezen. Veel Engelse en Franse schrijvers deden hetzelfde. Amerikaanse schrijvers, zoals Washington Irving, voelden zich tot Spanje aangetrokken, evenals Nicolaas Beets. De Engelse dichter Byron raakte verliefd op Griekenland en mengde zich daar in de vrijheidsstrijd tegen de Ottomanen. Tegelijkertijd ontstond een veel minder avontuurlijk soort toerisme, namelijk naar kuuroorden en badplaatsen, zoals Spa in het tegenwoordige België. Overal in Europa ontstonden in de 19de eeuw badplaatsen in allerlei soorten en prijsklassen, tot zelfs aan de rand van het Kaukasusgebergte. Niettemin bleef het toerisme slechts mogelijk voor een zeer selecte groep. De grote massa kwam door gebrek aan geld en tijd aan reizen voor het plezier niet toe. Als het gewone volk op reis ging was dat doorgaans om huis en haard voorgoed te verlaten: tientallen miljoenen Europeanen trokken naar de groeiende steden of vestigden zich als emigrant in Noord- of Zuid-Amerika, Australië of Noord-Afrika. Deze grote volksverhuizing was pas mogelijk geworden doordat omstreeks 1860 het Europese spoorwegnet was voltooid. Zo konden grotere afstanden snel, redelijk veilig en betrekkelijk goedkoop worden overbrugd. In die tijd verschenen ook de eerste reisgidsen voor een groter publiek, dat steeds minder vaak de juiste kennis en opleiding had om bijvoorbeeld Italiaanse kunstschatten zelfstandig te kunnen bewonderen en waarderen. In Duitsland gaf Karl Baedeker zijn beroemde serie reisgidsen in roodlinnen band uit, met gedetailleerde informatie over reistijden, hotels, restaurants, kunstwerken en musea. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef het Europese toerisme, ondanks de relatieve verbreding, een zaak voor de maatschappelijke bovenlaag.

  1920 - 1930   Pas in de jaren 1920 kon ook de middenstand beginnen te denken aan een vakantie in het buitenland, zij het meestal in groepsverband. Eerst was dat bijvoorbeeld een reisje op of langs de Rijn, maar meestal niet veel verder dan de Main. Een reisje naar de Eiffel, de Harz of de Ardennen was ook geen zeldzaamheid meer. Zelfs Parijs kwam binnen het bereik van de smallere beurs. Wie dat niet kon betalen, maar toch het leven van een echte metropool wilde meemaken, kon bijvoorbeeld naar Keulen of Brussel. Zelfs de exclusieve bestemmingen in Zuid-Europa kwamen soms binnen het bereik van de middenklasse, althans voor zover het mensen betrof die werden uitgezonden naar Nederlands-Indië, en die de keus hadden te reizen via Marseille of Genua.

  1930 - 1960   De crisis van de jaren 1930 had natuurlijk een negatieve uitwerking op het buitenlands toerisme. Tijdens de Duitse bezetting kon van toerisme in het geheel geen sprake zijn, evenmin als tijdens de eerste jaren van de wederopbouw. Reizen was duur en het overgrote deel van de Nederlandse bevolking was eerder arm dan rijk. Een groot deel van Europa was ook volop bezig met de wederopbouw, waardoor het vaak vrij moeilijk was om goede en goedkope accommodatie te vinden. Er waren dus maar weinig echte vakantiebestemmingen, maar die waren dan wel schreeuwend duur, zoals Zwitserland.De jeugd verlangde echter naar nieuwe ervaringen en buitenlandse horizonten. Alleen reizen was nauwelijks mogelijk. Makkelijker was het daarom bijvoorbeeld om met de personeelsvereniging, de politieke jongerenvereniging of de jeugdkerk op stap te gaan. Dat waren dan wel Spartaanse ondernemingen. Geslapen werd er in tenten of jeugdherbergen. Tot ver in de jaren 1950 konden de meeste Nederlanders zich geen buitenlandse vakantie in gezinsverband veroorloven.

  1960 - 1970   Inmiddels naderde echter de wederopbouw zijn voltooiing, terwijl de Nederlandse economie onstuimig groeide: sinds halverwege de jaren vijftig steeg het BBP jaarlijks met enkele procenten. Gedurende de jaren zestig werd de welvaartsstijging eindelijk algemeen voelbaar. Dankzij loonsverhogingen en arbeidstijdverkortingen konden de Nederlanders gaan genieten van hun inspanningen. Het particulier autobezit groeide explosief. In de zomervakantie waagden steeds meer Nederlanders zich buiten de grens en deden dat bij voorkeur met de eigen auto. Overnacht werd er vaak in tenten of uitvouwbare caravans. Duitsland en België waren populaire vakantiebestemmingen. Frankrijk was bij de automobilist niet geliefd vanwege het ontbreken van autosnelwegen, waardoor vooralsnog onevenredig veel tijd verloren ging met het bereiken van een vakantiebestemming. Zwitserland was voor velen nog te duur en te exclusief, maar Oostenrijk en Noord-Italië waren een stuk goedkoper en vrij goed bereikbaar via de Duitse Autobahnen. Liefhebbers van zon, zee en strand (tegen een zachte prijs) ontdekten de Spaanse kust, en lieten zich per vliegtuig daarheen vervoeren. Zo ontstonden de eerste grote "tour operators", die zich specialiseerden in vliegvakanties met hotel. Veel linkse en "politiek bewuste" Nederlanders weigerden echter naar Spanje te reizen vanwege het bewind van Generaal Francisco Franco, dat zij verfoeiden. Onder deze politiek geëngageerde landgenoten was het eerder bon ton om vakantie te vieren achter het IJzeren Gordijn, bijvoorbeeld in de DDR of Tsjechoslowakije, waar het leven spotgoedkoop was voor wie beschikte over westerse deviezen. Rijkere Nederlanders ontdekten in de jaren 1960 de wintersport, waarmee de trend ontstond om twee keer per jaar naar het buitenland op vakantie te gaan.

  1970 - 1980   Tijdens de jaren zeventig ontdekten de Nederlanders nieuwe bestemmingen: vooral Griekenland werd razend populair. Na de dood van Franco (1975) werd Spanje een van de geliefdste bestemmingen. Nederlanders gingen nu niet meer alleen naar de Costa Brava en Mallorca, maar ook naar de Costa del Sol en de Canarische Eilanden. Voor de kortere vakantie werd het mode om een weekendje naar Londen te gaan, voor theaterbezoek of inkopen. Werkende jongeren boekten graag groepsvakanties via organisaties als "Club Escolette".

  1980 - 1990   In de jaren tachtig werd vooral Frankrijk populair. Dat kwam voor een deel door de sterk verbeterde bereikbaarheid van allerlei aantrekkelijke vakantiegebieden, door de aanleg van een fantastisch net van Autoroutes, waarvoor tol werd geheven. En hoewel door de afbraak van het onderwijs in de moderne talen aan de Nederlandse middelbare scholen de kennis van het Frans nagenoeg was verdwenen, lieten de meeste Nederlanders zich door deze handicap niet uit het veld slaan: Frankrijk was goedkoop en met een paar woorden Engels, handen en voeten en een enkele Franse uitdrukking kon men zich prima redden. De meer avontuurlijke toeristen begonnen belangstelling te krijgen voor de randen van Europa (Portugal, Turkije) en voor Azië (Indonesië, Thailand), Latijns-Amerika (Mexico, Guatemala) en Afrika (Marokko, Egypte, Senegal). Ook de Verenigde Staten bleken aantrekkelijk, zeker in tijden dat de dollar laag stond. Skivakanties in Oostenrijk en Zwitserland kwamen zeer in trek bij de lagere middenklasse, die zich ook luidruchtig placht te manifesteren tijdens de met veel bier besprenkelde après-ski. Speciale "gipsvluchten" moesten worden georganiseerd om een groeiend leger verongelukte skiërs uit de Lage Landen te repatriëren. Dit was het decennium van de internationalisering van de pretcultuur.

  1990 - 2000   In de jaren negentig was een buitenlandse vakantie in feit voor alle Nederlanders de gewoonste zaak van de wereld. Als gevolg van de groeiende Europese integratie was het begrip "buitenland" ook van betekenis veranderd. Antwerpen en Brussel zijn tegenwoordig voor de meeste Nederlanders bijna net zo vertrouwd als voor veel Belgen, en ze voelen zich er niet minder thuis. De ineenstorting van de Communistische wereld in het Oosten van Europa heeft dat deel van het continent ook geopend voor het toerisme. Aan het einde van de 20ste eeuw was bijvoorbeeld Polen met 20 miljoen bezoekers per jaar een van de meest bezochte landen in Europa geworden. Nederlanders bezoeken inmiddels alle landen van Europa. Verre vakanties naar "exotische" oorden zijn populair geworden bij de grote massa. Isla Margarita, Florida, Bali, de Dominikaanse Republiek, Aruba trokken groeiende horden zonzoekers, terwijl de wat kieskeuriger toerist in dit genre zich begaf naar de Seychellen of de Malediven. Zij die op zoek waren naar avontuur meenden dat te kunnen vinden temidden van kleurrijke Indiaanse marktjes in Guatemala en Peru, en op de hellingen van de Kilimandjaro, maar ook langs de oude Zijderoute naar China, of in Patagonië en Australië. Zuid-Afrika bleek na de afschaffing van de apartheid opeens een bijzonder geliefd reisdoel bij Nederlanders. Dichter bij huis werd het mode om korte vakanties door te brengen in Europese kunststeden als Florence, Praag en St. Petersburg of in het mild-exotische Istanboel. In de kringen van de gegoede burgerij en de steeds grotere groep nouveau-riches was Toscane lange tijd dé plek om de zomervakantie door te brengen. Aan het begin van de 21ste eeuw is het bijna overal druk geworden. Het toerisme heeft definitief bezit genomen van de wereld.