1991

Armenië verklaarde zich op 23 september zelfstandig. Het land telde 3,6 miljoen inwoners op een oppervlakte van 30.000 vierkante kilometer. Twee weken daarvoor, op 7 september, had de Armeense Communistische Partij zichzelf opgeheven. Bij een referendum op 22 september stemde 94,4% van de kiezers voor zelfstandigheid. Bij de eerste directe presidentsverkiezingen werd Levon Ter-Petrosjan (*1945), de voorzitter van de Armeense Opperste Sovjet, tot president gekozen (83%).


1992


In januari werd begonnen met de ontmanteling van de communistische economie. Eerst werd de controle op prijzen en lonen afgeschaft. De landbouwgrond werd geprivatiseerd en na een half jaar was dat proces al voor 75% afgerond. De blokkade die als represaille tegen de heimelijke Armeense steun aan de opstandige Azerbeidzjaanse streek Nagorno-Karabach was ingesteld noopte de regering op 19 maart tot de afkondiging van de economische noodtoestand. Eind mei werd een begin gemaakt met de terugtrekking van het 7de Russische leger dat op Armeens grondgebied was gestationeerd. Midden augustus vonden in Jerevan grote demonstraties plaats tegen President Ter-Petrosjan. De betogers eisten zijn aftreden vanwege de tegenslagen in de oorlog tegen Azerbeidzjan om Nagorno-Karabach. De Armeense opstandelingen in die streek hadden zich inmiddels onafhankelijk verklaard en eisten erkenning en steun van Armenië.


1993


De oorlog in Nagorno-Karabach escaleerde verder. De economische blokkade van had een desastreuze uitwerking op de Armeense economie. Daardoor kwam de positie van President Levon Ter-Petrosjan in het gedrang. Op 5 februari eisten meer dan 100.000 mensen in een grote demonstratie zijn aftreden. Ook Turkije weigerde doorgang te verlenen aan een transport van hulpgoederen uit Europa voor Armenië. De aardgaslevering via de pijplijn die door Georgië liep kwam stil te liggen als gevolg van een bomaanslag. Er werd een begin gemaakt met heimelijke leveranties van Russische wapens ter waarde van 2 miljard dollar (tot 1996, onder andere tanks en pantserwagens). Op 22 november voerde Armenië een eigen munt in, de Dram, ter waarde van oude Roebels. De inflatie over het jaar beliep meer dan 1800%.


1994

President Ter-Petrosjan verbood de Revolutionaire Armeense Federatie (Dasjnaktsoetjoen) en liet de leider Wagan Oganesjan gevangen nemen. De beweging, die al een gewelddadige reputatie had, ging nu ondergronds opereren. Na het herstel van de gaslijn via Georgië en de hervatting van de leveranties, werd de toevoer van gas in januari opnieuw afgesneden door een bomaanslag. Dit aardgas was de enige energiebron voor het land sinds de olieboycot door Azerbeidzjan. De toestand was zo slecht geworden (met een inflatie in 1994 van ruim 4000%), dat sinds eind 1991 tussen de 500.000 en 750.000 Armeniërs naar het buitenland waren vertrokken. Een internationale contactgroep van 12 landen en 7 organisaties gaf Armenië een krediet van 265 miljoen dollar.


1995

Opnieuw maakte een bomaanslag op de aardgaspijplijn door Georgië een einde aan de gastoevoer (21 januari). Op 16 maart kwam een verdrag met Rusland tot stand, waarbij Rusland voor 25 jaar het recht kreeg om troepen in Armenië te stationeren. Bij de parlementsverkiezingen van 5 juli won de partijcoalitie die Ter-Petrosjan leidde, 150 van de 190 kamerzetels. Bij het eveneens gehouden referendum bleek 69% van de kiezers voorstander van een grondwetsherziening.


1996


De presidentsverkiezingen van 22 september eindigden met een overwinning voor de zittende president Levon Ter-Petrosjan (51,75%). De voormalige eerste minister Vazgen Manoekian kreeg 41,29%. Zijn aanhangers waren ervan overtuigd dat de uitslagen waren vervalst, gingen bij duizenden de straten van de hoofdstad op en vielen het parlementsgebouw aan. Op 4 november werd Armen Sarkisian benoemd tot eerste minister.


1997

De positie van president Ter-Petrosjan kwam in het gedrang. Om zich in te dekken benoemde hij Robert Kotsjarjan tot eerste minister. Kotsjarjan was tevens president van de republiek Nagorno-Karabach en was zeer populair. Met Rusland werd een verdrag voor vriendschap en samenwerking getekend.


1998

Op 3 februari trad President Ter-Petrosjan af, nadat de tegenstand tegen zijn bewind en zijn persoon sterk waren gegroeid. Bij de vervroegde presidentsverkiezingen kwam de nationalistische Robert Kotsjarjan als sterkste uit de bus (59,5%). Op 6 augustus werd Procureur-generaal Henrik Kaschatrian vermoord, op 9 december de vice-minister van defensie Wagram Tsjortsjoroeni.


1999

Bij de parlementsverkiezingen van 30 mei verloor de heersende partij zijn meerderheid. Kort daarop benoemde President Kotsjarjan de winnaar, Wasgen Sarkisjan, tot minister president.

  2000 De verhouding met Turkije verslechterde nadat president Kotsjarjan (*1954) dat land op de millenniumtop van de Verenigde Naties had opgeroepen om de dood van de tussen 1915 en 1923 uit Turkije verjaagde anderhalf miljoen Armeniërs als volkerenmoord te erkennen. Het onder leiding van de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) gevoerde overleg met Azerbaidzjan over Nagorno-Karabach leverde niets op.~~~ Als gevolg van de politieke moorden kwamen president en parlement lijnrecht tegenover elkaar te staan. Omdat bestuurlijke samenwerking onmogelijk was, ontsloeg president Kotsjarjan in mei premier Aram Sarkissian en benoemde in zijn plaats de leider van de Republikeinse Partij, Andranik Markarjan, tot nieuwe premier.